Selecteer een pagina

Dossier: Aansprakelijkheid en schadevergoeding


HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:817

(1) Formele rechtskracht staat er niet aan in de weg dat de burgerlijke rechter in een procedure tussen de Ontvanger en een derde oordeelt over de materiële verschuldigdheid van een belastingschuld van een ander, indien voor die derde tegen de belastingaanslagen geen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. De Hoge Raad onderscheidt drie gevallen waarin dit aan de orde is en komt terug van het arrest Dumatrust/Ontvanger.

(2) Niet uitgesloten is dat de Ontvanger door een belastingvordering in het faillissement in te dienen of te handhaven onrechtmatig handelt jegens een derde die door de curator voor die belastingschuld aansprakelijk is gesteld. Met het aannemen van een dergelijke onrechtmatigheid moet echter behoedzaam worden omgegaan. (meer…)

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:225 (hoofdzaak) en HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:238 (vrijwaringszaak)

Slagende motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof dat de verkoper onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mondeling een winstrecht bij verkoop van een gedeelte van panden, die deel uitmaakten van het vermogen van een vennootschap, met de kopers van zijn aandelen is overeengekomen en tegen de verwerping van het hof van het betoog dat de verkoper de kans op een beter resultaat is ontnomen doordat de notarissen hun zorgplicht niet hebben nageleefd. (meer…)

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679

De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. (meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:57

Het oordeel van het hof dat eiseres zou deelnemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken, is niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval eiseres overkwam bij het maken van de promotiefilm. (meer…)

HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97

Het hof heeft op basis van een aantal omstandigheden geconcludeerd dat de exoneratie in art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is. Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd. (meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:53

In gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen, moet de schade vastgesteld worden door (i) te beoordelen hoe beslist had behoren te worden als (tijdig) hoger beroep was ingesteld. Als dat niet mogelijk is, moet de schade (ii) geschat worden aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad.

Bij (i) de beoordeling hoe beslist had behoren te worden als (tijdig) hoger beroep was ingesteld, moet worden uitgegaan van de in die appelprocedure geldende rechtsregels, waaronder de regels met betrekking tot bewijslevering. (meer…)

Cassatieblog.nl