Selecteer een pagina

Dossier: Aansprakelijkheid en schadevergoeding


HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761

In deze procedure over vergoeding van schade die is ontstaan door een inbreuk op het Europese kartelverbod heeft het hof terecht geoordeeld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is als de eiser in de kartelperiode minimaal één transactie is aangegaan met een van de karteldeelnemers. Daarmee is de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure (art. 612 Rv) behaald. (meer…)

HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764

De verjaring van een vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het Europese kartelverbod (follow-onvordering) vangt in beginsel aan op het moment waarop de boetebeschikking van de Europese Commissie bekend is geworden. Het is niet in strijd met het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW als de rechter tot uitgangspunt neemt dat de benadeelde partij op dat moment bekend werd met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij het aan de benadeelde partij is om dat te ontzenuwen. Een stuitingshandeling moet door of namens elke (rechts)persoon die schade vordert zijn verricht; niet voldoende is dat is gestuit door een andere rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde onderneming (in mededingingsrechtelijke zin).  (meer…)

HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1540

Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt behoort te informeren over de mogelijkheid een bepaald verweer te voeren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en rechtsgevolgen van het verweer, de kans van slagen daarvan en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds bewust te zijn van de mogelijkheid dat verweer te voeren. Gelet hierop is onvoldoende gemotiveerd het oordeel dat verweerder (advocaat) geen beroepsfout heeft gemaakt door zijn client niet te wijzen op de mogelijkheid van vernietiging, door diens echtgenote, van een overeenkomst waarin de client zich had verbonden voor een schuld van zijn vennootschap. (meer…)

HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1738

Het Nederlandse recht verplicht een aanbestedende dienst om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen. Van die verplichting kan niet in aanbestedingsvoorwaarden worden afgeweken. (meer…)

HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1686

Bij een aansprakelijkheidsverzekering begint de verjaringstermijn van drie jaar voor een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering (art. 7:942 lid 1 BW) te lopen op het moment dat de verzekerde aansprakelijk is gesteld. (meer…)

Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237

Enkele agrarische ondernemers hebben schadevergoeding van de bank gevorderd, omdat zij hen bij het aangaan van een kredietovereenkomst niet heeft geïnformeerd over de mogelijke invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Zijn banken op grond van hun bijzondere zorgplicht gehouden om hun kennis over zulke mogelijke ontwikkelingen met hun cliënten te delen, voordat een kredietovereenkomst wordt gesloten? Deze en andere vragen beantwoordt de Hoge Raad in dit arrest, dat Hidde Volberda in drie minuten bespreekt.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #140 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Cassatieblog.nl