Selecteer een pagina

Dossier: Aansprakelijkheid en schadevergoeding


HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:128

Het oordeel dat de commissarissen aansprakelijk zijn tegenover een derde is onvoldoende gemotiveerd, mede gelet op de hoge drempel die in het algemeen geldt voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. (meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:57

Het oordeel van het hof dat eiseres zou deelnemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken, is niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval eiseres overkwam bij het maken van de promotiefilm. (meer…)

HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97

Het hof heeft op basis van een aantal omstandigheden geconcludeerd dat de exoneratie in art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is. Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd. (meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:53

In gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen, moet de schade vastgesteld worden door (i) te beoordelen hoe beslist had behoren te worden als (tijdig) hoger beroep was ingesteld. Als dat niet mogelijk is, moet de schade (ii) geschat worden aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad.

Bij (i) de beoordeling hoe beslist had behoren te worden als (tijdig) hoger beroep was ingesteld, moet worden uitgegaan van de in die appelprocedure geldende rechtsregels, waaronder de regels met betrekking tot bewijslevering. (meer…)

HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761

In deze procedure over vergoeding van schade die is ontstaan door een inbreuk op het Europese kartelverbod heeft het hof terecht geoordeeld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is als de eiser in de kartelperiode minimaal één transactie is aangegaan met een van de karteldeelnemers. Daarmee is de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure (art. 612 Rv) behaald. (meer…)

HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764

De verjaring van een vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het Europese kartelverbod (follow-onvordering) vangt in beginsel aan op het moment waarop de boetebeschikking van de Europese Commissie bekend is geworden. Het is niet in strijd met het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW als de rechter tot uitgangspunt neemt dat de benadeelde partij op dat moment bekend werd met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij het aan de benadeelde partij is om dat te ontzenuwen. Een stuitingshandeling moet door of namens elke (rechts)persoon die schade vordert zijn verricht; niet voldoende is dat is gestuit door een andere rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde onderneming (in mededingingsrechtelijke zin).  (meer…)

Cassatieblog.nl