Selecteer een pagina

HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1540

Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt behoort te informeren over de mogelijkheid een bepaald verweer te voeren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en rechtsgevolgen van het verweer, de kans van slagen daarvan en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds bewust te zijn van de mogelijkheid dat verweer te voeren. Gelet hierop is onvoldoende gemotiveerd het oordeel dat verweerder (advocaat) geen beroepsfout heeft gemaakt door zijn client niet te wijzen op de mogelijkheid van vernietiging, door diens echtgenote, van een overeenkomst waarin de client zich had verbonden voor een schuld van zijn vennootschap.

Achtergrond en geschil in de feitelijke instanties

Verzoeker heeft zich met een zogenoemde promissory note hoofdelijk schuldenaar verklaard voor een schuld van zijn vennootschap aan Sonesta. Deze schuld werd niet voldaan. In de daarom door Sonesta aangespannen incassoprocedure werd verzoeker bijgestaan door verweerder 1. Verzoeker is in deze procedure veroordeeld tot betaling van de vordering van Sonesta.

Verzoeker is vervolgens ook failliet verklaard wegens het onbetaald laten van onder meer de vordering van Sonesta. Verweerster 2 heeft namens verzoeker hoger beroep ingesteld tegen het faillissementsvonnis. Dit hoger beroep is verworpen.

In de onderhavige procedure verwijt de curator verweerder 1 en verweerster 2 dat zij verzoeker niet hebben gewezen op de mogelijkheid dat diens echtgenote de promissory note vernietigt op de grond dat haar toestemming daarvoor ontbreekt (art. 1:88 lid 1 sub c Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten (BWSM) jo. art. 1:89 BWSM). De curator vordert hoofdelijke veroordeling van verweerder 1 en verweerster 2 tot betaling van de schade die uit dit gestelde verzuim voortvloeit.

Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft de vorderingen grotendeels toegewezen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft de vorderingen afgewezen. Volgens het hof had noch verweerder 1 noch verweerster 2 een beroepsfout gemaakt.

De Hoge Raad

Uitgangspunten in cassatie

De Hoge Raad stelt voorop dat en advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat een advocaat zijn cliënt bij het voeren van een procedure niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de zorgvuldigheidsplicht mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. [HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, rov. 3.4.3; CB 2015-94.]

Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt behoort te informeren over de mogelijkheid om een bepaald verweer te voeren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en rechtsgevolgen van het verweer, de kans van slagen daarvan en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds bewust te zijn van de mogelijkheid dat verweer te voeren.

De Hoge Raad wijst er vervolgens op dat art. 1:88 sub c BWSM bepaalt dat een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft voor het aangaan van overeenkomsten die ertoe strekken dat hij zich, buiten de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt voor de schuld van een derde. Wordt een dergelijke overeenkomst gesloten zonder dat de andere echtgenoot daar toestemming voor heeft gegeven, dan is zij op grond van art. 1:89 lid 1 BWSM vernietigbaar. Alleen de andere echtgenoot kan een beroep doen op deze vernietigingsgrond.

Het oordeel dat verweerder 1 geen beroepsfout heeft gemaakt

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel dat verweerder 1 géén beroepsfout heeft gemaakt, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof baseert dit oordeel op de overwegingen dat (i) de vordering van art. 1:89 BWSM strekt tot bescherming van de echtgenote van verzoeker; (ii) dat zij zich niet tot verweerder had gewend en ook niet bij de bespreking aanwezig was; en (iii) dat het de uitdrukkelijke bedoeling van verzoeker was om de zaak te regelen. Het hof heeft in zijn motivering ten onrechte niet betrokken de kans dat de echtgenote van verzoeker op art. 1:89 BWSM een beroep zou hebben gedaan, indien verweerder verzoeker daarover had voorgelicht, en de kans van slagen hiervan.

Het oordeel dat verweerster 2 geen beroepsfout heeft gemaakt

Het oordeel dat verweerster 2 geen beroepsfout heeft gemaakt, blijft wel in stand. Het hof had overwogen dat verweerster 2 heeft gedaan wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in vergelijkbare omstandigheden mocht worden verwacht. Dit oordeel acht de Hoge Raad niet onbegrijpelijk in het licht van de door het hof vastgestelde omstandigheden, waaronder de tijdsdruk (verzoeker had zich één dag voor het verstrijken van de appeltermijn bij verweerster 2 gemeld), de omstandigheid dat er een onherroepelijk vonnis jegens verzoeker lag waarin hij was veroordeeld tot betaling van de vordering van Sonesta en de mededeling van verzoeker dat zijn echtgenote met de promissory note instemde.

Afdoening

Volgt vernietiging van het vonnis en verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof voor zover gewezen tussen verzoeker en verweerder 1. Deze beslissing wijkt af van de conclusie van A-G Hartlief. Naar het oordeel van de A-G had het hof ook voldoende gemotiveerd waarom verweerder 1 geen beroepsfout had gemaakt.

Share This

Cassatieblog.nl