Selecteer een pagina

Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198 en ECLI:NL:HR:2026:1197

 De Hoge Raad aanvaardt een uitzondering op het terugverwijsverbod voor collectieve acties. Waar een hof na vernietiging een zaak normaliter zelf moet afdoen, oordeelt de Hoge Raad dat dit niet past binnen het tweefasenstelsel van de WAMCA. Wanneer een rechtbank een belangenorganisatie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, mag het hof de zaak terugwijzen naar de rechtbank. Ook na cassatie. Omwille van de praktijk geldt deze uitzondering bovendien voor collectieve acties op de voet van art. 3:305a (oud) BW.

Het terugverwijsverbod

Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak de zaak niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Dit uitgangspunt berust op de gedachte dat door het instellen van hoger beroep de gehele zaak aan het oordeel van de rechter in hoger beroep wordt onderworpen. De rechter in hoger beroep mag zich daarom niet gedeeltelijk aan die taak onttrekken door een deel van de zaak alsnog aan de rechter in eerste aanleg over te laten.

Op dit uitgangspunt bestaan slechts enkele uitzonderingen. Terugwijzen is mogelijk wanneer de rechtbank uitsluitend op processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. Dat geldt ook wanneer de rechter in hoger beroep heeft vastgesteld dat het eindvonnis vernietigd moet worden omdat het (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter (ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.2).

Systeem van de WAMCA: splitsing ontvankelijkheidsfase en inhoudelijke fase

Vóór 1 januari 2020 voorzag de regeling van de collectieve actie niet in het verkrijgen van schadevergoeding voor de gedupeerden, maar enkel in het verkrijgen van andere voorzieningen, zoals een verbod, bevel of verklaring voor recht. Met de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de WAMCA is hierin verandering gekomen. In verband daarmee is de regeling van art. 3:305a e.v. BW vrij ingrijpend gewijzigd. Voor een uitgebreide bespreking van die wijzigingen en de rechtspraak sindsdien wordt verwezen naar het WODC-rapport.

Voor deze blog is van belang dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem waarbij de procedure is gesplitst in een ontvankelijkheidsfase en een inhoudelijke fase. De inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering in een WAMCA-procedure vindt pas plaats als is voldaan aan de vereisten van art. 1018c lid 5, onder a tot en met c, Rv. Die vereisten zijn vervuld:

  1. nadat de rechter heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW of art. 3:305a lid 6 BW;
  2. als de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering,
  3. en dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

De verweerder mag op grond van art. 1018c lid 5 Rv in de ontvankelijkheidsfase volstaan met verweren die betrekking hebben op de in dit artikellid genoemde ontvankelijkheidsvereisten, totdat hierover is beslist. Hij hoeft in deze fase – in afwijking van art. 128 lid 3 Rv – nog geen inhoudelijk verweer te voeren.

 Een uitzondering op het terugverwijsverbod

Tegen deze achtergrond aanvaardt de Hoge Raad een uitzondering op het terugverwijsverbod. Als de rechter in hoger beroep een uitspraak vernietigt waarbij een belangenorganisatie niet-ontvankelijk is verklaard op grond van art. 1018c lid 5 Rv, dan mag hij de zaak terugwijzen naar de rechtbank (ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.3-4.2.4). Met het oog op de eisen van de praktijk moet voor collectieve acties op de voet van art. 3:305a (oud) BW ook hierbij aansluiting worden gezocht (ECLI:NL:HR:2026:1197, rov. 3.4.3). De uitzondering geldt dus ook in de gevallen die onder het oude recht vallen.

 Bovendien geldt de uitzondering na cassatie en verwijzing. Wanneer de procedure na cassatie en verwijzing opnieuw bij een hof ligt, mag dat verwijzingshof de zaak terugwijzen naar de rechtbank indien het de niet-ontvankelijkverklaring vernietigt. Daarmee wordt een uitzondering gemaakt op art. 424 Rv, dat juist voorschrijft dat de verwijzingsrechter de zaak zelf verder behandelt en afdoet (ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.4).

 Aanhouden oordeel over exclusieve belangenbehartiger

De Hoge Raad voegt aan deze uitzondering op het terugverwijsverbod nog een belangrijk oordeel toe (voor WAMCA-procedures). Met het oog op de coördinatie en efficiënte en effectieve afwikkeling van massazaken heeft de wetgever in de WAMCA gekozen voor een systeem waarin de rechter een exclusieve belangenbehartiger kiest. Nadat is vastgesteld welke belangenorganisaties aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoen, wijst de rechter de meest geschikte belangenbehartiger aan als exclusieve belangenbehartiger (art. 1018e lid 1 Rv). De WAMCA gaat uit van één procedure over een collectieve vordering voor de gehele groep van personen voor wier belangen de exclusieve belangenbehartiger opkomt (ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.5).

Wanneer meerdere belangenorganisaties een collectieve vordering hebben ingesteld kan de rechtbank een of meer daarvan niet-ontvankelijk achten. Volgens de Hoge Raad is het niet verenigbaar met het systeem van de WAMCA dat de rechtbank in dat geval al direct een exclusieve belangenbehartiger aanwijst uit de door hem ontvankelijk geachte belangenorganisaties. Evenmin kan de inhoudelijke behandeling dan al worden voortgezet. Indien in hoger beroep alsnog wordt geoordeeld dat ook een eerder afgewezen belangenorganisatie ontvankelijk is, bestaat immers het risico dat gelijktijdig (en mogelijk in verschillende instanties) meerdere collectieve procedures naast elkaar worden gevoerd. Dit heeft de wetgever met de WAMCA juist willen voorkomen (ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.6).

Daarom oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank in een dergelijke situatie de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger dient aan te houden totdat onherroepelijk over de ontvankelijkheid van alle betrokken belangenorganisaties is beslist. Wordt de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep vernietigd, dan ligt terugwijzing naar de rechtbank volgens de Hoge Raad voor de hand (ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.7).

 De conclusies van de A-G’s

Deze oordelen van de Hoge Raad over het terugverwijsverbod wijken af van beide conclusies van de A-G’s in deze zaken. Zowel A-G Ibili (conclusie voor ECLI:NL:HR:2026:1197) als A-G de Bock (conclusie voor ECLI:NL:HR:2026:1198) hielden vast aan het terugverwijsverbod.

De A-G’s gaan niet in op de mogelijke complicaties als een van de eisende belangenorganisaties in eerste aanleg niet-ontvankelijk wordt verklaard. Die complicaties worden wel behandeld in een conclusie van A-G Snijders in een andere zaak. De Hoge Raad wijkt echter ook af van die conclusie. A-G Snijders vond een aanhouding van de procedure bij een niet-ontvankelijkverklaring van een deel van de eisende belangenorganisaties namelijk niet te rechtvaardigen, omdat dit tot ernstige vertraging zou leiden (zie conclusie, onder 9.7).

Share This

Cassatieblog.nl