Selecteer een pagina

HR 24 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:714

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook gelegen kan zijn op de dag waarop de eerste afdracht is gedaan in het kader van het faillissement van de schuldenaar vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw. Een eerste afdracht in een faillissement dat is opgeheven kan echter niet op één lijn worden gesteld met een eerste aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.

Voorgeschiedenis

Deze uitspraak in een prejudiciële procedure is een vervolg op een eerdere prejudiciële procedure (HR 20 december 2024, CB 2025-4). Die eerdere prejudiciële procedure had – net als deze prejudiciële procedure – betrekking op art. 349a lid 1 Fw. Deze bepaling luidt (voor zover relevant) als volgt:

“De termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt anderhalf jaar, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen.”

Ten aanzien van deze bepaling oordeelde de Hoge Raad dat onder ‘eerste aflossing’ wordt verstaan: de eerste aflossing tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Verder zijn volgens de Hoge Raad als ‘eerste aflossing’ eveneens aan te merken (i) een aflossing of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers, (ii) in beginsel ook een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag en (iii) de vaststelling door de schuldhulpverlener dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft.

De eerste en tweede prejudiciële vraag

In deze zaak heeft het hof ’s-Hertogenbosch de vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of boedelafdrachten die tijdens een faillissement voorafgaand aan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn gedaan, ook kunnen worden aangemerkt als ‘eerste aflossing’ (de eerste en tweede prejudiciële vraag). De vragen van het hof zien zowel op het geval (a) dat een voorafgaand faillissement is omgezet in een wettelijke schuldsaneringsregeling (art. 15b Fw) als op het geval (b) dat een eerder faillissement is opgeheven, waarna de schuldenaar een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gedaan.

De Hoge Raad begint de beantwoording van de eerste en tweede prejudiciële vraag met de overweging dat de Faillissementswet enkele bepalingen bevat die erop zijn gericht dat natuurlijke personen met financiële problemen zoveel mogelijk in de wettelijke schuldsaneringsregeling terechtkomen in plaats van failliet te worden verklaard. Zo is omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling mogelijk op grond van art. 15b lid 1 Fw:

  1. als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in art. 3 lid 1 Fw geen verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend; of
  2. als het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar.

De Hoge Raad overweegt dat de wet niet uitdrukkelijk regelt dat afdrachten die tijdens het faillissement zijn gedaan bij een omzetting van dat faillissement in een schuldsaneringsregeling kunnen leiden tot vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling van art. 349a lid 1 Fw. Aan dit punt heeft de wetgever geen aandacht geschonken.

De Hoge Raad zet daartegenover de overwegingen dat zowel in een schuldhulpverleningstraject als in een faillissement een natuurlijke persoon vaak niet in staat zal zijn om zijn schulden geheel te voldoen. Verder lost de schuldenaar in beide trajecten af ten behoeve van de schuldeisers of vallen inkomsten boven het vrij te laten bedrag in de boedel. Bovendien is, aldus de Hoge Raad, het faillissement door de rol van de curator en de rechter-commissaris nog meer gereguleerd voor de schuldenaar dan een schuldhulpverleningstraject.

Gelet op het voorgaande, brengt volgens de Hoge Raad een redelijke wetstoepassing mee dat het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook kan samenvallen met de dag waarop de schuldenaar zijn eerste afdracht heeft gedaan in het kader van het faillissement van de schuldenaar vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op grond van art. 15b Fw.

Om voor een vervroeging van het aanvangsmoment in aanmerking te komen, moet de schuldenaar tijdens het faillissement in principe maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, hebben afgedragen aan de boedel en zich hebben ingespannen om zo veel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De schuldenaar zal de rechter gegevens moeten verstrekken om te kunnen vaststellen in hoeverre de door hem gepleegde inspanningen in het faillissement vergelijkbaar zijn met die waartoe hij bij toepassing van de schuldsaneringsregeling gehouden zou zijn, vergezeld van een verklaring of advies van de curator. De eventuele omstandigheid dat die inspanningen niet geheel gelijk zijn aan de inspanningen waartoe de schuldenaar gehouden zou zijn uit hoofde van een schuldsaneringsregeling, staat niet eraan in de weg om de termijn van de schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste afdracht in het faillissement is gedaan, aldus de Hoge Raad.

Ten overvloede overweegt de Hoge Raad nog dat het voor de hand ligt dat de rechter niet snel tot het oordeel zal komen dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet binnen de termijn van art. 3 lid 1 Fw een verzoek heeft ingediend tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Art. 15b Fw heeft immers tot doel om bij natuurlijke personen met problematische schulden toepassing van de schuldsaneringsregeling te bevorderen en faillissementen terug te dringen.

De Hoge Raad is minder soepel als de schuldenaar na opheffing van het faillissement verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling. In zo’n geval is er namelijk een periode waarin de schuldenaar noch onder het regime van de Faillissementswet valt, noch gebonden is aan in een schuldhulpverleningstraject geldende voorwaarden. Daarmee verschilt deze situatie van de in art. 349a lid 1 en 15b Fw bedoelde situatie en kan een eerste afdracht tijdens een faillissement dat later wordt opgeheven niet op één lijn worden gesteld met een eerste aflossing als bedoeld in art. 349a Fw.

De Hoge Raad wijkt hier af van de op dit punt wat genuanceerdere conclusie van A-G De Bock. Zij ziet geen principiële bezwaren tegen vervroeging van het aanvangsmoment als de schuldenaar direct aansluitend op de opheffing van het faillissement toelating tot de Wsnp verzoekt en de schuldenaar middels een verklaring van de curator kan aantonen tijdens het faillissement inspanningen te hebben verricht die vergelijkbaar zijn met de onder de Wsnp vereiste inspanningen. Tegelijkertijd signaleert A-G De Bock ook dat dit anders kan liggen indien de periode na de opheffing van het faillissement langer is. Het zal dan lastiger zijn voor de schuldenaar om aan te tonen dat hij heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht. In zo’n geval ligt het volgens A-G De Bock dan ook minder voor de hand om tot een eerder aanvangsmoment te komen. Zie nrs. 9.1-9.9 van de conclusie van A-G De Bock.

De derde en vierde prejudiciële vraag

De derde prejudiciële vraag ziet op de vereisten en omstandigheden die van belang zijn bij een eerder aanvangsmoment na omzetting van het faillissement. De vierde prejudiciële vraag is of de verklaring van de curator gelijk kan worden gesteld met een verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Een dergelijke verklaring is op grond van art. 285 lid 1 onder f Fw vereist voor toelating tot een schuldsaneringsregeling.

Deze laatste vraag beantwoordt de Hoge Raad, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, bevestigend (HR 13 maart 2015, CB 2015-49 en HR 14 april 2017, CB 2017-88). Voor een omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling op grond van art. 15b Fw is dus vereist dat de curator de mogelijkheid heeft onderzocht van een schuldeisersakkoord.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat niet van belang zijn de hoogte van het boedelsaldo, de totale schuldenlast en de verhouding tussen beide. Evenmin is van belang wat de hoogte is van de aflossingen in het minnelijke traject en wat de verhouding is tussen de aflossingen en de schuldenlast. Als in de ogen van de rechter is voldaan aan de vereisten van art. 288 Fw, maar de rechter de schuldenaar toch een verwijt maakt omtrent de hoogte van het boedelsaldo of de hoogte van de schuldenlast, kan de rechter dit in aanmerking nemen bij de vaststelling van het aanvangsmoment of de verlenging van de termijn.

Tot slot is volgens de Hoge Raad ook de omvang van het resterende boedelsaldo na aftrek van het salaris van de curator niet van belang. Ook hier geldt dat als de schuldenaar een verwijt treft – bijvoorbeeld omdat de curator niet kon beschikken over een administratie of de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen jegens de curator heeft voldaan – de rechter dit mee kan nemen bij de vaststelling van het aanvangsmoment en een eventuele verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.

Share This

Cassatieblog.nl