HR 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1500
De schending van de waarheidsplicht (art. 21 Rv) door eiser kon het hof in dit geval bestraffen door hem niet toe te laten tot nadere bewijslevering.
Wel heeft eiser terecht geklaagd dat het hof, in strijd met art. 23 Rv, over een langere periode schadevergoeding heeft toegewezen dan gevorderd.
Inleiding
De partijen in een procedure bij de burgerlijke rechter zijn op grond van art. 21 Rv verplicht om de feiten die voor de beslissing van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. Als zij die verplichting niet naleven, dan kan de rechter daaraan “de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht”, zo bepaalt art. 21 Rv.
Welke gevolgtrekking zou de rechter eraan kunnen verbinden als een van de partijen de feiten niet volledig of naar waarheid aanvoert? Het hier besproken arrest geeft daarvan een voorbeeld. Zie voor andere mogelijke sancties de conclusie van A-G Hartlief onder 3.163 (met verwijzing naar een eerdere conclusie van A-G de Bock).
Aanleiding
Aanleiding voor deze uitspraak is een conflict tussen partijen die actief zijn in de zeesleepvaart. Dat begon met een koopovereenkomst tussen OMB, de persoonlijke vennootschap van eiser tot cassatie (hierna: eiser), en een koper. Met die overeenkomst droeg (de persoonlijke vennootschap van) eiser zijn aandelen in het bedrijf Fairmount over aan de koper. In de koopovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen. Dat bepaalt, kort gezegd, dat eiser of zijn persoonlijke vennootschap geen onderneming zullen drijven die met Fairmount concurreert.
Eiser is na de verkoop nog enige tijd actief gebleven als bestuurder van Fairmount, maar zijn managementovereenkomst is na een paar jaar beëindigd. Daarop heeft eiser met een aantal managers en een directeur van Fairmount gesproken over het opzetten van een nieuwe scheepvaartonderneming. Kort daarop hebben de managers en de directeur hun arbeidsovereenkomsten bij Fairmount opgezegd en hebben zij, samen met een vennootschap van de zoons van eiser, een nieuwe vennootschap opgericht, genaamd ALP. OMB (de persoonlijke vennootschap van eiser) heeft ALP gefinancierd met een lening aan de vennootschap van de zoons.
Procedure
Fairmount en de koper hebben eiser gedagvaard en aangevoerd dat het in de managementovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding is overtreden. In die hoofdprocedure heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat het eiser het non-concurrentiebeding inderdaad heeft geschonden, en eiser veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. De hier besproken uitspraak van de Hoge Raad ziet op de schadestaatprocedure.
In de schadestaatprocedure wordt gediscussieerd over de vraag welke schade Fairmount heeft geleden door de oprichting en het optreden van ALP. Het hof heeft voor de begroting daarvan aangeknoopt bij een deskundigenrapport, waarin is vastgesteld dat Fairmount een aantal projecten is misgelopen, waaronder een samenwerking met een reder.
Eiser had eerder weersproken dat hij betrokken zou zijn geweest bij de oprichting van ALP en bij de totstandkoming van de samenwerking tussen ALP en de betreffende reder. Het hof acht, mede op grond van een brief en een e-mail van eiser die Fairmount in het geding heeft gebracht, bewezen dat eiser daarbij wel degelijk betrokken is geweest. Het hof overweegt daarbij dat eiser het hof daarover eerder op het verkeerde been heeft gezet, onder meer door onder ede te verklaren dat hij niets met ALP te maken heeft gehad.
Vervolgens is de vraag of, als ALP niet zou zijn opgericht, er een samenwerking tussen Fairmount en de reder tot stand zou zijn gekomen. In zijn eerste en tweede tussenarrest komt het hof tot het voorshandse oordeel dat dat zou zijn gebeurd. In zijn eindarrest passeert het hof het aanbod van eiser om bewijs te leveren van zijn stelling dat er geen samenwerking tussen de reder en Fairmount tot stand zou zijn gekomen. Dat bewijs had hij willen leveren door een getuige te laten horen die kon verklaren dat Fairmount geen interesse zou hebben gehad. Het hof overweegt onder meer dat de verklaringen van eiser niet betrouwbaar zijn gebleken en dat eiser zijn recht op een nieuwe bewijsronde heeft verspeeld door laakbaar handelen.
Hoge Raad: schending waarheidsplicht terecht bestraft
In cassatie klaagt eiser dat het hof hem in de gelegenheid had moeten stellen om tegenbewijs te leveren tegen het voorshandse oordeel dat, als ALP niet was opgericht, een samenwerking tussen Fairmount en de reder tot stand zou zijn gekomen.
De Hoge Raad neemt in aanmerking dat, zoals in cassatie vaststaat, eiser (ook onder ede) niet naar waarheid heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de oprichting van ALP.
De Hoge Raad verwijst vervolgens naar de waarheidsplicht van art. 21 Rv, en overweegt dat het oordeel dat een partij daaraan niet heeft voldaan, en de beslissing om daaraan een sanctie te verbinden, aan de feitenrechter zijn voorbehouden.
Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat het het hof vrijstond om aan deze schending van de waarheidsplicht door eiser, onder meer, de gevolgtrekking te verbinden dat eiser niet nog een bewijsronde zou krijgen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, en kan het oordeel dat eiser niet (alsnog) tot bewijslevering wordt toegelaten zelfstandig dragen, aldus de Hoge Raad. Het cassatieberoep van eiser wordt op dit punt dus verworpen. Daarmee volgt de Hoge Raad A-G Hartlief.
Meer toegewezen dan gevorderd (art. 23 Rv)?
Op een ander punt slaagt het cassatieberoep van eiser wél. Het hof had de schade van Fairmount begroot door te berekenen welk bedrag aan agency fees zij is misgelopen doordat geen samenwerking met de reder tot stand is gekomen. Het hof heeft die vergoeding toegekend voor een periode van 24 maanden. Eiser klaagt dat het hof daarmee meer heeft toegewezen dan gevorderd, omdat Fairmount pas vanaf september 2010 schade stelde te hebben geleden, en dus voor een periode korter dan 24 maanden.
Volgens de hoge Raad laten de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat Fairmount de vergoeding van de agency fee slechts heeft gevorderd voor de periode vanaf 1 september 2010 en dus niet voor een periode van 24 maanden. De Hoge Raad verwijst daarbij naar de conclusie van A-G Hartlief onder 3.255. Het stond het hof dan ook niet vrij om eiser te veroordelen tot vergoeding van de agency fee over een periode die eerder aanvangt dan 1 september 2010. Dat gaat immers verder dan wat Fairmount in dit verband heeft gevorderd, aldus de Hoge Raad.