Selecteer een pagina

HR 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1551 en ECLI:NL:HR:2026:1552

Op 25 september 2026 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen die betrekking hebben op wat in de volksmond ook wel het emissieschandaal of dieselgate wordt genoemd. De kern van deze controverse is dat fabrikanten voertuigen met dieselmotoren zouden hebben uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, waardoor deze niet voldeden aan Europese emissienormen.

Op basis van dit verwijt is onder meer Stichting Emission Claim (hierna: SEC) een collectieve actie gestart tegen de fabrikant, de importeur en de dealers en servicepartners van Mercedes-voertuigen. Op vergelijkbare gronden is Stichting Diesel Emissions Justice (hierna: SDEJ) een collectieve actie gestart tegen Stellantis N.V. (hierna: Stellantis) en tegen de fabrikanten, importeurs en dealers van Stellantis-voertuigen.

Internationale bevoegdheid en de ankergedaagderegel

In de Stellantis-zaak verklaarde het hof Amsterdam zich onbevoegd om kennis te nemen van vorderingen tegen de fabrikanten van Stellantis-voertuigen voor zover SDEJ daarmee opkomt voor gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een voertuig hebben gekocht of geleased. In de Mercedes-zaak nam het hof wel bevoegdheid aan ten aanzien van de fabrikant.

In beide zaken deden eisers een beroep op de zogenaamde ankergedaagderegel. Deze is vastgelegd in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv. Art. 8 Brussel aanhef en onder 1 I-bis bepaalt het volgende:

“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

 (1) indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;”

Deze bepaling geldt alleen voor gedaagden uit de Europese Unie. Voor gedaagden buiten de Europese Unie – zoals één van de fabrikanten van Stellantis-voertuigen – geldt art. 7 lid 1 Rv:

“Indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.”

Art. 7 lid 1 Rv is gebaseerd op de voorloper van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Hoewel de tekst van beide bepalingen iets anders is, komen de bepalingen volgens de Hoge Raad inhoudelijk overeen. Bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Wat de Hoge Raad in deze zaken overweegt ten aanzien van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, geldt dus ook voor art. 7 lid 1 Rv (zie HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1196, CB 2016-86, rov. 3.1; HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, CB 2019-50, rov. 4.1.3 en 4.2.2).

De rol van voorzienbaarheid bij de beoordeling van de nauwe band

Het hof overwoog in de Stellantis-zaak dat voor de buitenlandse fabrikanten niet voorzienbaar was dat zij voor een Nederlandse rechter zouden worden gedagvaard in verband met elders in de Europese Unie op de markt gebrachte voertuigen. Dit gebrek aan voorzienbaarheid stond volgens het hof in de weg aan het aannemen van rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor zover SDEJ met haar collectieve vorderingen opkomt voor gedupeerden die elders in de Europese Unie, buiten Nederland, voertuigen hebben gekocht of geleased.

De door SDEJ tegen dit oordeel gerichte klachten slagen. Onder verwijzing naar het Powercables-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJEU 16 april 2026, ECLI:EU:C:2026:293), oordeelt de Hoge Raad dat bij de beoordeling of tussen vorderingen tegen meerdere verweerders een “zo nauwe band” bestaat, de voorzienbaarheid voor de medegedaagde om te worden opgeroepen voor het gerecht van de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is. De voorzienbarheid moet als algemeen beginsel in aanmerking worden genomen bij de toepassing van die bepaling.

Verder oordeelt de Hoge Raad, in reactie op het incidentele cassatieberoep van Stellantis, de fabrikanten en de importeur, dat onder de ankergedaagderegel niet is vereist dat de groep van gedupeerden waarvoor SDEJ opkomt met haar vorderingen tegen de fabrikanten identiek moet zijn aan, dan wel deel moet uitmaken van de groep van gedupeerden waarvoor SDEJ opkomt met haar vorderingen tegen de importeur. Voldoende is dat tussen de vorderingen van SDEJ tegen de fabrikanten en de vorderingen van SDEJ tegen de importeur een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

In de Mercedes-zaak had het hof, zoals hiervoor besproken, wel bevoegdheid aangenomen. Tegen de achtergrond van de in het Powercables-arrest aan art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis gegeven uitleg, kunnen de tegen dit bevoegdheidsoordeel gerichte klachten volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden.

WAMCA-overgangsrecht en de ‘reeksuitzondering’

Ten aanzien van het toepasselijke collectieve-actieregime had het hof Amsterdam in zowel de Stellantis-zaak als in de Mercedes-zaak geoordeeld dat de zogenaamde ‘Euro 6 voertuigen’, waarop de collectieve vorderingen onder meer zien, (ook) op en na 15 november 2016 (in Nederland) in het verkeer zijn gebracht en de collectieve vorderingen met betrekking tot deze voertuigen dan ook niet (uitsluitend) betrekking hebben op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016. Daarom is het WAMCA-regime op deze collectieve vorderingen van toepassing, aldus het hof.

De Hoge Raad oordeelt anders. Het tweede lid van art. 119a Overgangswet Nieuw BW (hierna: Ow NBW) bepaalt dat voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in art. 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na 1 januari 2020, de voorwaarden van toepassing zijn die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Uit de toelichting bij art. 119a lid 2 Ow NBW volgt volgens de Hoge Raad dat het voornaamste doel daarvan is om de rechtszekerheid te waarborgen. De verwerende partij heeft geen rekening kunnen houden met het nieuwe recht als het gaat om gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, de datum waarop het voorstel voor de WAMCA aan de Tweede Kamer is aangeboden.

De tekst van art. 119a Ow NBW moet volgens de Hoge Raad zo worden begrepen dat in een geval waarin een rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden. Dit betekent dat voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, deze wordt beheerst door het oude recht (art. 3:305a (oud) BW). Voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016, wordt deze beheerst door de WAMCA.

Met het begrip ‘gebeurtenissen’ in art. 119a lid 2 Ow NBW wordt gedoeld op de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie. Bij de beoordeling van deze feiten dient de rechter uit te gaan van de stellingen van de belangenorganisatie, maar ook rekening te houden met eventuele betwistingen door gedaagde. De rechter is niet gehouden om nader feitenonderzoek te verrichten of instructiemaatregelen, bijvoorbeeld ten behoeve van bewijslevering, te treffen. De rechter mag zich bij de beoordeling beperken tot de al beschikbare gegevens.

De Hoge Raad staat verder nog stil bij de ‘reeksuitzondering’. In de parlementaire geschiedenis bij art. 119a Ow NBW staat dat “[i]n het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden”, het recht van toepassing is “zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden”. Volgens de Hoge Raad is hiermee klaarblijkelijk gedoeld op gevallen die zich slechts bij hoge uitzondering voordoen. Daarom is volgens de Hoge Raad slechts sprake van een ‘reeks van gebeurtenissen’ indien de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie, zozeer met elkaar zijn verweven dat in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) geen splitsing in afzonderlijke gebeurtenissen kan worden gemaakt. Dit doet zich in beide zaken niet voor, aldus de Hoge Raad. Daarmee slagen de klachten tegen het oordeel van het hof dat het WAMCA-regime van toepassing is op de collectieve vorderingen met betrekking tot de Euro 6 voertuigen.

Ontvankelijkheid en relatieve bevoegdheid

In de Mercedes-zaak had de rechtbank Amsterdam eerder geoordeeld dat SEC niet-ontvankelijk was in haar collectieve vorderingen voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, omdat SEC niet tijdig om verlenging van de dagvaarding had verzocht op grond van art. 1018d lid 2 Rv. Het hof oordeelde echter dat het verzoek van een andere stichting tot verlening van de dagvaardingstermijn ook gold voor SEC. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad onjuist, omdat een verlenging van de dagvaardingstermijn als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv uitsluitend geldt voor de rechtspersoon die om verlenging heeft verzocht (zie HR 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:388, CB 2025-39, rov. 4.2.1-4.2.3).

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat Mercedes c.s. niet ontvankelijk is in haar cassatieberoep voor zover het cassatieberoep is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam niet relatief bevoegd is. Tegen een dergelijke beslissing is op grond van art. 110 lid 3 Rv namelijk geen hogere voorziening toegelaten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9630, rov. 4.2).

De Hoge Raad vernietigt beide arresten, conform de conclusies van respectievelijk A-G Ibili in de Stellantis-zaak en A-G Snijders in de Mercedes-zaak. Beide zaken worden verwezen naar het hof Den Haag.

Share This

Cassatieblog.nl