HR 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1558
Met toepassing van zijn vaste rechtspraak op dit punt stelt de Hoge Raad eiser in dit cassatieberoep in de gelegenheid om alle betrokkenen bij deze processueel ondeelbare rechtsverhouding alsnog op te roepen (art. 118 Rv).
De processueel ondeelbare rechtsverhouding
Een processueel ondeelbare rechtsverhouding is een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken. Een veel voorkomend voorbeeld daarvan is de vordering tot vaststelling van de verdeling van een nalatenschap: de beslissing daarover moet hetzelfde luiden voor allen die bij de verdeling van de nalatenschap zijn betrokken.
Oproeping van alle betrokkenen op de voet van art. 118 Rv
Het voorgaande betekent dat de rechter een beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding alleen kan geven in een procedure waarbij iedereen die betrokken is bij de rechtsverhouding, partij is. Als degene die de procedure is begonnen niet alle betrokkenen heeft opgeroepen, moet de rechter hem daartoe op de voet van art. 118 Rv alsnog de gelegenheid geven. Dat had de Hoge Raad in 2017 al beslist (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411; zie daarover uitvoerig CB 2017-92), eveneens in een zaak over de vaststelling en verdeling van een nalatenschap. In HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:649, CB 2018-75 paste de Hoge Raad deze nieuwe regel toe.
In zijn arrest uit 2017 gaf de Hoge Raad een praktische oplossing voor situaties waarin niet alle betrokkenen bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding partij zijn bij een procedure daarover. Daarvóór kon een opgeroepen partij het verweer voeren dat niet alle betrokkenen waren opgeroepen (de ‘exceptio plurium litis consortium’); als dat slaagde werd de eiser/verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Als uitzondering daarop kon de (appel)rechter zijn uitspraak ook gelding verlenen ten opzichte van partijen die niet in het hoger beroep zijn betrokken (het ‘ius recursus extensum’). Zie daarover uitvoerig de conclusie van A-G de Bock vóór het arrest uit 2017 (ECLI:NL:PHR:2016:1173).
Toepassing in deze zaak
In de hier besproken zaak was een geschil gerezen tussen de erfgenamen van erflaatster, haar twee zoons (broer 1 en broer 2) en haar dochter (de zus). Omdat de zus na het overlijden van erflaatster eveneens is overleden, is ook haar dochter (de nicht) bij het geschil betrokken als executeur van de nalatenschap van de zus.
Broer 2 heeft vaststelling en verdeling van de nalatenschap van erflaatster gevorderd. De rechtbank had de vorderingen afgewezen, maar het hof vernietigde de uitspraak. In eerste aanleg en hoger beroep waren zowel beide broers als de nicht partij; de nicht is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. Het cassatieberoep van broer 1 tegen de uitspraak van het hof richt zich echter alleen tegen broer 2, en niet tegen de nicht. Broer 2 vordert in een incident dat broer 1 niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep, althans dat hij op grond van art. 118 Rv wordt gelast om de nicht alsnog op te roepen.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraken wijst de Hoge Raad deze laatste vordering toe, en geeft broer 1 de gelegenheid om de nicht binnen twee weken na zijn arrest op te roepen en de procesinleiding en het arrest aan haar te betekenen. Doet broer 1 dat niet (tijdig), dan zal hij alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard (zie rov. 3.2.3); daarvoor is nu nog geen reden, aldus de Hoge Raad.
Hiermee volgt de Hoge Raad de conclusie van A-G Valk.