Selecteer een pagina

EHRM 23 september 2026, nr. 19365/19 (Kuijt/Nederland)

Voor het EHRM wordt geklaagd dat de Hoge Raad geen (i) onafhankelijk en (ii) onpartijdig gerecht is (iii) voorzien bij wet, aangezien een of meer ‘reservisten’ aan de beraadslaging hebben deelgenomen, terwijl de wet daarin niet voorziet. Dat zou een schending opleveren van art. 6 lid 1 EVRM. Het EHRM verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in deze klachten, ten dele omdat de nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput, en voor het overige omdat de klachten kennelijk ongegrond zijn.

Achtergrond van de zaak

In deze procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt geklaagd dat de zogenoemde ‘reservistenpraktijk’ van de Hoge Raad in verschillende opzichten in strijd is met art. 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Reservisten zijn raadsheren van een kamer van de Hoge Raad die niet zijn belast met de behandeling en beslissing van de zaak, maar wel kunnen deelnemen aan de beraadslaging.

Het gaat in dit geval om een strafprocedure over een verstoring van een gemeenteraadsvergadering in Zeist door demonstranten. De verdachte stelt cassatieberoep in tegen het arrest van het hof waarin zij daarvoor is veroordeeld. De cassatieklachten van de verdachte zien kort gezegd op de vermeende schending van het demonstratierecht en de consequenties die deze schending zou moeten hebben voor de ontvankelijkheid van het OM, de bewezenverklaring en de strafoplegging. In een later stadium van de procedure – na indiening van de cassatieschriftuur – verzoekt de verdachte om wraking van alle leden van de strafkamer van de Hoge Raad.

Eind 2018 wijst de wrakingskamer van de Hoge Raad het wrakingsverzoek af. In 2019 verwerpt de strafkamer van de Hoge Raad vervolgens het cassatieberoep. Daarop stapt de verdachte naar het EHRM en stelt zij de reservistenpraktijk in Straatsburg ter discussie. In 2025 wordt de zaak verwezen naar de Grote Kamer van het EHRM. Hierna wordt eerst ingegaan op de uitspraak van de wrakingskamer van de Hoge Raad uit 2018, omdat dit helpt om de uitspraak van het EHRM te begrijpen.

Uitspraak wrakingskamer Hoge Raad (2018)

In 2018 verzoekt de verdachte om de wraking van alle raadsheren in de strafkamer. Volgens de verdachte bestaat de vrees dat geen sprake is van een (i) onafhankelijk en (ii) onpartijdig gerecht (iii) voorzien bij wet, aangezien een of meer reservisten aan de beraadslaging kunnen/zullen deelnemen (of hebben deelgenomen), terwijl de wet daarin niet voorziet.

De wettelijke grondslag voor het wrakingsverzoek is art. 512 Sv. Daarin is bepaald dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke (ii) onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat vereiste van onpartijdigheid van de rechter (‘impartial tribunal’) volgt ook uit art. 6 lid 1 EVRM. Daartoe is art. 512 Sv volgens de wrakingskamer van de Hoge Raad ook beperkt.

Andere aspecten van art. 6 lid 1 EVRM, zoals het vereiste van (i) onafhankelijkheid (‘independent’) en dat van een (iii) wettelijke grondslag (‘established by law’) kunnen op zichzelf beschouwd dus geen grond voor wraking opleveren. Die aspecten staan dan ook niet ter beoordeling van de wrakingskamer, maar kunnen aan de orde worden gesteld in de hoofdzaak zelf, zo nodig door het aanwenden van een rechtsmiddel (rov. 2.5). Toch merkt de wrakingskamer naar aanleiding van aspect (iii) – ten overvloede – op dat de rol van reservisten is voorzien in het openbaar beschikbare ‘Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van de Hoge Raad der Nederlanden’ (CB 2017-160) en dat voor elke procespartij op voorhand kenbaar is wie als reservisten in raadkamer kunnen deelnemen.

De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af voor zover het ziet op aspect (ii). Daartoe overweegt de wrakingskamer dat de rol van reservisten bij de beraadslaging over een zaak beperkt is tot rechtskundige inbreng in het belang van de rechtseenheid. De omstandigheid dat reservisten op deze wijze bijdragen aan de beraadslaging in raadkamer over een zaak vormt niet een aanwijzing dat leden van een zetel of betrokken reservisten jegens een partij een vooringenomenheid koesteren of dat een dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (rov. 2.6.2). De verdachte heeft ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die daarop wijzen (rov. 2.6.6). Wel heeft de verdachte gewezen op verschillende EHRM-uitspraken, maar de wrakingskamer loopt die uitspraken na en constateert dat ze zien op situaties die in de onderhavige zaak niet aan de orde zijn (rov. 2.6.4-2.6.5).

Oordeel EHRM (2026)

In 2019 dient de (dan) veroordeelde een klacht in bij het EHRM over dezelfde aspecten: er zou geen sprake zijn geweest van een (i) onafhankelijk en (ii) onpartijdig gerecht (iii) voorzien bij wet, aangezien een of meer reservisten aan de beraadslaging hebben deelgenomen, terwijl de wet daarin niet voorziet.

In navolging van de wrakingskamer van de Hoge Raad maakt het EHRM onderscheid tussen deze aspecten. Het EHRM verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in de klachten die zien op aspecten (i) en (iii), omdat zij de nationale rechtsmiddelen niet heeft uitgeput en de Hoge Raad over deze nieuwe vragen dus nog niet zelf heeft kunnen oordelen. Het EHRM stelt hierbij voorop dat de ratio van de reservistenpraktijk strookt met het belang van consistente rechtspraak, dat wordt onderkend in de rechtspraak van het EHRM (§ 113). Het EHRM is ervan overtuigd dat een effectieve remedie beschikbaar zou zijn geweest: klachten over die aspecten hadden in de cassatieprocedure kunnen worden voorgelegd aan de Hoge Raad (§ 112-116) en zouden door de Hoge Raad ook serieus en met inachtneming van de EHRM-rechtspraak (moeten) zijn beoordeeld. Het is volgens het EHRM bovendien van groot belang, gegeven het subsidiaire karakter van het EVRM, dat nationale autoriteiten zoals de Hoge Raad die beoordeling eerst zelf kunnen uitvoeren. Daarop vooruitlopen acht het EHRM niet wenselijk (§ 117-119). Of de Hoge Raad deze aspecten ambtshalve had moeten toetsen, maakt het voorgaande niet anders (§ 100).

Het EHRM verklaart de klaagster eveneens niet-ontvankelijk in de klachten die zien op aspect (ii), maar dan om een andere reden, namelijk omdat die klachten kennelijk ongegrond zijn. Het EHRM constateert dat het mogelijk was om deze wrakingsgrond in het kader van het wrakingsverzoek aan te voeren en dat deze grond ook uitgebreid is behandeld (§ 101-109). Het EHRM geeft geen eigen criteria en past deze ook niet toe, maar lijkt het oordeel van de wrakingskamer over aspect (ii) te onderschrijven (§ 121-124). Mede gelet op het doel van de reservistenpraktijk komt het EHRM tot de conclusie dat de klacht dat geen sprake was van een onpartijdig gerecht kennelijk ongegrond is (§ 125-126).

Dit betekent dat – na ruim acht jaar procederen – alleen nog is bevestigd dat de reservistenpraktijk niets afdoet aan de onpartijdigheid, maar noch de Hoge Raad noch het EHRM een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de vraag of die praktijk maakt dat geen sprake is van een onafhankelijk gerecht voorzien bij wet. Die laatste vragen zullen mogelijk in een andere zaak alsnog moeten worden beantwoord, en dan in eerste instantie door de Hoge Raad (tijdig en in de juiste procedure).

Share This

Cassatieblog.nl