HR 2 oktober, ECLI:NL:HR:2026:1595 (ING/Leferink q.q.)
De inningsbevoegdheid van de pandhouder omvat niet ook de bevoegdheid om de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Het gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten verzet zich ertegen dat partijen met goederenrechtelijke werking aan de pandhouder de bevoegdheid toekennen om de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.
Feiten
ING had een lening verstrekt aan J.T.M. Vastgoed B.V. wier werkzaamheden bestonden uit het exploiteren van vastgoed. Tot zekerheid van deze lening had J.T.M. Vastgoed ten behoeve van ING een stil pandrecht gevestigd op (o.a.) de huurvordering die zij had op Emtes. Omdat J.T.M. Vastgoed haar financiële verplichtingen tegenover ING niet nakwam, heeft ING het pandrecht openbaar gemaakt, waardoor ING op grond van art. 3:246 lid 1 BW inningsbevoegd werd. J.T.M Vastgoed is vervolgens failliet gegaan. Na dit faillissement weigerde Emtes de volledige huur aan ING te betalen in verband met gebreken aan het gehuurde bedrijfspand. ING heeft daarom met Emtes een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de openstaande huurvordering werd verminderd. Volgens de curator was ING hiertoe niet bevoegd zonder toestemming en medewerking van de curator en handelde zij daarom onrechtmatig of maakte zij misbruik van recht.
Achtergrond
In de algemene voorwaarden van ING was een bepaling opgenomen die bepaalde dat ING bevoegd is ter zake van de aan haar verpande vorderingen bevoegd was om voor rekening van de schuldenaar “regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten” en verder alles te verrichten wat de geldgever nodig achtte. Op grond hiervan is ING buiten faillissement bevoegd om een verpande vordering gedeeltelijk kwijt te schelden.
Om deze bevoegdheid ook in faillissement van haar schuldenaar uit te kunnen oefenen, is echter vereist dat de toekenning van de bevoegdheid om de vordering kwijt te schelden, goederenrechtelijke werking heeft. Dit kan alleen als de bevoegdheid om de vordering kwijt te schelden op een of andere manier in het pandrecht ingebakken is, of kan worden.
In deze procedure bepleit ING allereerst dat een pandhouder van een vordering op grond van zijn inningsbevoegdheid mede bevoegd is om een schikking aan te gaan met betrekking tot die vordering. Daarnaast bepleit ING dat het mogelijk is om met goederenrechtelijke werking de bevoegdheid tot het treffen van een schikking aan ING als pandhouder toe te kennen.
De rechtbank oordeelde dat het weliswaar uitgangspunt van de wet is dat de pandgever bevoegd blijft handelingen te verrichten die niet in art. 3:246 BW aan de pandhouder zijn toegekend, maar dat het wel mogelijk is om met goederenrechtelijke werking de bevoegdheid tot het treffen van een schikking aan ING als pandhouder toe te kennen. Ter onderbouwing van zijn oordeel verwees de rechtbank – in navolging van een deel van de literatuur – naar de wetsgeschiedenis van art. 3:246 BW, waarin is overwogen dat schuldeisersbevoegdheden die niet in art. 3:246 BW genoemd staan “in het algemeen” bij de pandgever blijven. Uit de woorden “in het algemeen” leidde de rechtbank af dat door de wetgever bedoeld is om aan partijen de ruimte te laten om af te wijken van de wettelijke bevoegdheidsverdeling.
Het hof oordeelde in zijn tussenarrest dat ING niet op grond van haar inningsbevoegdheid een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten. In het eindarrest oordeelde het hof vervolgens allereerst dat de schikkingsbevoegdheid geen goederenrechtelijke regeling was die de inhoud van het pandrecht bepaalde, maar een zuiver contractuele regeling.. Mocht wel sprake zijn van een goederenrechtelijke regeling, dan was deze volgens het hof in strijd met de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem (de numerus clausus) en had deze dus geen goederenrechtelijke werking.
Omvat de inningsbevoegdheid van de pandhouder ook de bevoegdheid de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden?
In cassatie klaagt ING allereerst over het oordeel van het hof dat ING als pandhouder niet op grond van haar inningsbevoegdheid een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten.
De Hoge Raad herhaalt zijn – inmiddels vaste – rechtspraak over art. 3:246 BW. Daaruit volgt dat ingevolge art. 3:246 lid 1 BW de pandhouder, vanaf het moment dat het pandrecht op een vordering aan de schuldenaar is medegedeeld, bevoegd in en buiten rechte nakoming van die vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. De pandhouder is in dat geval op grond van art. 3:246 lid 2 BW tevens bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt. De pandgever kan deze bevoegdheden op grond van art. 3:246 lid 4 BW dan nog slechts uitoefenen als hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen.
Door mededeling van de verpanding aan de schuldenaar gaat de bevoegdheid tot inning van de verpande vordering dus over van de pandgever op de pandhouder. Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering blijven volgens de Hoge Raad bij de pandgever berusten (zie hiervoor de arresten IAE/Neo River, CB 2014-49; Megalim/De Veenbloem CB 2017-11; X bv/MFE en Stibbe CB 2024-40).
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever bij die andere schuldeisersbevoegdheden gedacht aan handelingen als het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding, alsmede de bevoegdheid tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit. Deze regeling berust volgens de Hoge Raad op een bewuste keuze van de wetgever. Daaraan ligt ten grondslag dat genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven, nu deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. De pandgever kan immers volgens de Hoge Raad groot belang erbij hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter
Uit de parlementaire geschiedenis en de eerdere rechtspraak waarnaar verwezen wordt, volgt dus dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder niet ook de bevoegdheid omvat de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.
Kan de kwijtscheldingsbevoegdheid met goederenrechtelijke werking aan de pandhouder worden toegekend?
In cassatie klaagt ING daarnaast over het oordeel van het hof dat voor zover de in de algemene voorwaarden van ING aan haar toegekende schikkingsbevoegdheid is bedoeld als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, die uitbreiding in strijd is met de geslotenheid van het goederenrechtelijk systeem.
Volgens de Hoge Raad brengt het gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten mee dat aan het pandrecht niet een andere inhoud kan worden gegeven dan dit recht volgens de desbetreffende wettelijke bepalingen heeft, voor zover uit de wet niet het tegendeel blijkt.
De vrijheid van partijen om binnen de grenzen van de wettelijke omschrijving van het pandrecht de inhoud van het pandrecht zelf te bepalen, is dus beperkt tot het gebied waar de wet zich van een regeling onthoudt en tot de gevallen waarin de wet zelf een afwijkende regeling uitdrukkelijk toelaat.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 3:246 BW niet voorziet in de mogelijkheid dat partijen afwijken van de daarin opgenomen bevoegdheidsverdeling. Dat leidt tot de conclusie dat het gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten zich ertegen verzet dat partijen met goederenrechtelijke werking aan de pandhouder de bevoegdheid toekennen om de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.
Conclusie
Volgt verwerping. Dit oordeel is in lijn met de conclusie van A-G Snijders.