HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833

Een houder van een openbaar pandrecht op een vordering kan vanaf het moment dat het pandrecht aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld, worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw. Dit betekent dat de pandhouder bevoegd is het faillissement van de schuldenaar aan te vragen. 

Voorliggende vraag

Kort samengevat liggen de feiten in deze zaak als volgt. Diamond Invest heeft een vordering op de Veenbloem. Megalim heeft een pandrecht op deze vordering en heeft daarvan mededeling gedaan aan de Veenbloem. Omdat betaling door de Veenbloem uitbleef, heeft Megalim de rechtbank verzocht het faillissement van de Veenbloem uit te spreken. De vraag die in deze zaak centraal staat is of Megalim als pandhouder bevoegd is het faillisement van de Veenbloem aan te vragen.

Schuldeiser is bevoegd faillissement aan te vragen

Art. 1 lid 1 FW bepaalt dat een schuldeiser kan verzoeken om een faillissement van de schuldenaar. In geschil is of een pandhouder kan worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van voornoemd artikel. Art. 3:246 lid 1 BW bepaalt dat de houder van een pandrecht op een vordering bevoegd is in en buiten rechte nakoming van een vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen, mits het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld. Bij een mededeling van de verpanding aan de schuldenaar gaat zo de bevoegdheid tot inning van de verpande vordering van de pandgever over op de pandhouder. Op grond van art. 3:246 lid 2 BW is de pandhouder in dat geval ook bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt. Andere schuldeisersbevoegdheiden met betrekking tot de vordering blijven bij de pandgever.

De rechtbank en het hof hebben het faillisementsverzoek van Megalim als pandhouder afgewezen. Beide overwogen dat een pandhouder niet de bevoegdheid heeft om het faillissement van de debiteur aan te vragen, omdat hij geen schuldeiser van de schuldenaar van de verpande vordering is en deze bevoegdheid ook niet uit het pandrecht volgt. De pandgever is en blijft de schuldeiser, ondanks het feit dat na mededeling van de verpanding de pandhouder inningsbevoegd is, aldus het hof.

Inningsbevoegde pandhouder is aan te merken als schuldeiser

In cassatie klaagt Megalim (onder meer) dat het hof heeft miskend dat een inningsbevoegde pandhouder wél bevoegd is het faillissement van de schuldenaar aan te vragen.

In navolging van A-G Timmerman gaat de Hoge Raad hier in mee en overweegt als volgt:

 “De in art. 3:246 lid 1 BW bedoelde inningsbevoegdheid (zie hiervoor in 3.3.3) omvat de bevoegdheid tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. Daartoe staan de pandhouder de middelen ten dienste die vóór de mededeling van het pandrecht aan de pandgever als schuldeiser toekwamen, zoals die tot uitwinning van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3619, NJ 2016/34). Ook de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar strekt tot verhaal van de vordering op diens vermogen. Daarom moet de houder van een pandrecht op een vordering vanaf het moment dat dit pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw.”

Het arrest waarnaar de Hoge Raad in bovenstaande overweging verwijst, is besproken in CB 2016-30. Volgens de Hoge Raad is het hof aldus uitgegaan van een te beperkte uitleg van art. 3:246 lid 1 BW. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslssing.

 

 

 

 

Share This