HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:589

Antwoord op prejudiciële vraag. Een verzoek tot omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling (art. 15b Fw) dient vergezeld te gaan van stukken waaruit blijkt dat een buitengerechtelijk schuldeisersakkoord is beproefd (art. 285 lid 1, aanhef en onder f, Fw). Aan deze eis kan worden voldaan met een verklaring van de curator (dat deze heeft onderzocht) dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke regeling. De herstelmogelijkheid van art. 287 lid 2 Fw is ook van toepassing op omzettingsverzoeken.

Beproeven minnelijke regeling, ook bij omzetting faillissement in schuldsanering?

Kort geleden werden op dit blog onder meer de prejudiciële vragen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de toepasselijkheid van art. 285 lid 1 sub f Fw in omzettingszaken ex art. 15b Fw gesignaleerd. In de kern ging het om de vraag of ook bij omzetting van een faillissement in schuldsanering de eis geldt dat een minnelijke regeling moet worden beproefd en dat stukken daaromtrent bij het verzoek om toepassing van (of hier: omzetting naar) de wettelijke schuldsaneringsregeling moeten worden gevoegd. De Hoge Raad heeft deze vragen vrijdag bevestigend beantwoord.

Schuldsanering bedoeld als laatste redmiddel

De Hoge Raad onderzoekt eerst de strekking van het vereiste dat eerst moet worden aangetoond dat een minnelijke regeling is beproefd, alvorens natuurlijke personen tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten. Dit kan door een verklaring van het College van B&W (of, in geval van mandaat door het College) van een gemeentelijke kredietbank. Dit vereiste waarborgt dat professionele hulpverlening plaatsvindt, voordat toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt verzocht. De achterliggende gedachte is dat de schuldenaar gedwongen wordt om tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bewerkstelligen, waarbij de schuldsanering als laatste redmiddel openstaat. Een verzoek tot toelating kan dan ook worden afgewezen als de poging niet is uitgevoerd door professionele schuldbemiddelaars (vgl. art. 48 lid 1 Wck).

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat “moet worden aangenomen dat ook voor een omzettingsverzoek het vereiste geldt dat de schuldenaar met behulp van professionele schuldhulpverlening heeft geprobeerd een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen”. (3.4.5).

Beproeven minnelijke regeling tijdens faillissement?

De Hoge Raad vervolgt met de constatering dat wanneer de natuurlijke persoon in staat van faillissement verkeert, deze zelf niet in staat is een buitengerechtelijk akkoord te beproeven. En juist dat gegeven zal aanleiding zijn geweest voor de soepele benadering door de rechtbanken, die omzettingsverzoeken die niet aan het vereiste van art. 285 lid 1 sub f Fw voldoen, inhoudelijk plegen te beoordelen.

De Hoge Raad komt als volgt aan dit probleem tegemoet:

“3.4.5 (…) Een redelijke wetstoepassing brengt dan mee dat wordt aanvaard dat bij een omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator kan worden gevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van art. 138 Fw kan aanbieden en dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.”

Herstel van verzuim

Kortom: ook een omzettingsverzoek moet vergezeld gaan van een verklaring met de strekking dat de mogelijkheid van een minnelijke regeling is onderzocht, maar zonder resultaat. De laatste vraag was vervolgens welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat het omzettingsverzoek niet vergezeld gaat van deze gegevens. Voor het antwoord op die vraag wijst de Hoge Raad op art. 287 lid 2 FW, waarin is bepaald dat de rechter een verzoeker in de gelegenheid kan stellen een verzuim te herstellen. De Hoge Raad merkt op dat deze bepaling ook in omzettingszaken van toepassing is en beantwoordt de vraag dan als volgt:

“3.5.3 Het antwoord op de derde prejudiciële vraag luidt dan ook dat de rechtbank die constateert dat bij een omzettingsverzoek niet een verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1, aanhef en onder f, Fw is gevoegd, de gefailleerde een termijn van ten hoogste een maand kan stellen om dat alsnog te doen, en de gefailleerde niet-ontvankelijk dient te verklaren in het verzoek als de verklaring niet wordt verstrekt.”

Share This