Selecteer een pagina

HR 10 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1224

De inhoud en strekking van art. 157 Rv en de eisen van het rechtsverkeer brengen mee dat een akte slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de wederpartij (en haar rechtverkrijgenden), dat wil zeggen degene die in de akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden.

Aanleiding

Man en vrouw, eisers tot cassatie, hebben een woning verkocht aan verweerders in cassatie. De vrouw was eigenaar van de woning.

De man en de vrouw hebben beiden als verkopers de koopovereenkomst ondertekend. In de leveringsakte staat dat de man als echtgenoot van de verkoper toestemming aan de vrouw heeft verleend voor de verkoop (conform art. 1:88 lid 1 BW).

Verweerders vorderen in deze procedure schadevergoeding vanwege gebreken aan de woning. Centrale vraag in dit geschil is of de man verkoper is van de woning en dus of hij uit dien hoofde (mogelijk) aansprakelijk is op grond van wanprestatie.

Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. De man presenteerde zich tijdens het koopproces, waaronder de rondleiding, namelijk als verkoper en heeft in hoedanigheid van verkoper de koopovereenkomst ondertekend. Dat de man geen eigenaar is van de woning en dat hij in de leveringsakte niet als (mede-)verkoper wordt genoemd, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

In cassatie: dwingende bewijskracht akte

De verkopers stellen cassatieberoep in. Zij klagen in de eerste plaats dat het hof heeft miskend dat de leveringsakte dwingende bewijskracht heeft. Volgens het onderdeel prevaleert de leveringsakte, waarin is vermeld dat de man als echtgenoot van verkoper toestemming heeft verleend, boven de koopovereenkomst, waarin hij als verkoper is genoemd.

Deze klacht slaagt niet. Het hof had geoordeeld dat de stellingen van de verkopers over de leveringsakte er niet aan in de weg staan dat de man uit hoofde van de koopovereenkomst wordt aangemerkt als verkoper. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting over de dwingende bewijskracht van een akte, aldus de Hoge Raad.

Art. 157 lid 2 Rv bepaalt namelijk dat een akte tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van een verklaring. Dat geldt ten aanzien van een verklaring van een partij over hetgeen de akte bestemd is te bewijzen ten behoeve van de wederpartij. De Hoge Raad verwijst vervolgens naar zijn eerdere rechtspraak over de dwingende bewijskracht van akten (HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3100, rov. 3.3.2; zie CB 2012-10; zie eerder HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3701, rov. 3.4). Uit deze rechtspraak volgt dat een akte slechts vrije bewijskracht heeft tegenover derden die geen rechtsverkrijgenden zijn van een van partijen (zie in deze zin Asser Procesrecht/Asser 3 2023/259).

Onder verwijzing naar deze rechtspraak herhaalt de Hoge Raad dat de inhoud en strekking van art. 157 lid 2 Rv en de eisen van het rechtsverkeer meebrengen dat een akte slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de wederpartij (en haar rechtverkrijgenden). Dat wil zeggen degene die in de akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden.

De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat uit de leveringsakte niet blijkt dat de man partij was bij de akte in deze zin. De regeling van art. 157 lid 2 Rv kan hem dus niet baten (vgl. conclusie A-G Bartels, nr 3.41, 3.46). Het hof heeft dat niet miskend.

In cassatie: passeren bewijsaanbod

Verkopers klagen voorts dat het hof hun bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd. Zij hadden, kort gezegd, aangeboden te bewijzen dat de notaris partijen er voorafgaand aan de levering op had gewezen dat de leveringsakte afwijkt van de koopovereenkomst, omdat alleen de vrouw als verkoper optreedt.

De Hoge Raad geeft eerst het oordeel van het hof weer. Daaruit blijkt dat het hof bovengenoemde stellingen van verkopers onder ogen heeft gezien. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden niet dwingen tot een andere conclusie over de vraag of de man (mede)verkoper is.

In dat oordeel ligt naar het oordeel van de Hoge Raad besloten dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend is. Volgens het hof zijn de te bewijzen aangeboden feiten in het licht van de hoedanigheid van de man in het verkoopproces namelijk onvoldoende om te concluderen dat verweerders er niet gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de man verkoper was. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad.

Het oordeel van de Hoge Raad wijkt op dit punt af van de conclusie van A-G Bartels. De A-G achtte het in het licht van de wilsvertrouwensleer wel (voldoende) relevant wat de notaris voorafgaand aan de levering met partijen had besproken. Daarom meende de A-G dat het hof een getuigenverhoor had moeten bevelen (conclusie A-G Bartels, nr. 3.20-3.22).

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Share This

Cassatieblog.nl