HR 3 juli 2026 ECLI:NL:HR:2026:1159
Kansspelovereenkomsten met een online aanbieder die niet beschikt over een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen zijn niet nietig.
De prejudiciële vragen
Op 22 januari 2025 hebben de rechtbanken Amsterdam en Noord-Holland aan de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld over kansspelovereenkomsten tussen consumenten en aanbieders van online kansspelen die geen vergunning hadden als vereist in de Wet op de kansspelen (Wok). De vragen zijn gesteld in procedures die zijn aangespannen door consumenten die hebben deelgenomen aan kansspelen via websites van dergelijke aanbieders. De consumenten stellen dat de kansspelovereenkomsten nietig zijn. Zij vorderen hun verlies terug op grond van onverschuldigde betaling.
De vragen luiden, enigszins verkort weergegeven:
- Had de Wok aanvankelijk de strekking om de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten?
- Is de strekking – na aanvankelijk aanwezig geweest te zijn – verloren gegaan, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en/of gelet op het handhavingsbeleid van de kansspelautoriteit (als bedoeld in art. 33 Wok)?
- Is een kansspelovereenkomst tussen een consument en een aanbieder van kansspelen op internet die geen vergunning heeft in de zin van de Wok een nietige overeenkomst in de zin van art. 3:40 BW?
- Maakt het voor de beantwoording van vraag 3 nog uit of de aanbieder voldeed aan de prioriteringscriteria van de kansspelautoriteit?
- Als het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, welke rechtsgevolgen heeft dat dan? Is een vordering tot terugbetaling van het geleden verlies op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar?
- Is voor het antwoord op de voorgaande vragen van belang dat een aanbieder zijn diensten beperkt tot het aanbieden aan spelers van een online mogelijkheid om tegen elkaar te spelen? Zo ja, heeft dat gevolgen voor wat een speler als onverschuldigd betaald van de aanbieder kan terugvorderen?
Overwegingen en antwoorden van de Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de Nederlandse kansspelregulering vanouds niet wordt gekenmerkt door een categorisch verbod, maar door het kanaliseren van de menselijke speelzucht naar een legaal aanbod. Dit gold ook als uitgangspunt bij de totstandkoming van de Wok. Art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok verbiedt het gelegenheid te geven om mee te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers geen overwegende invloed kunnen uitoefenen. Het verbod geldt niet voor de aanbieder die een vergunning heeft.
Doel en strekking van art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok nopen volgens de Hoge Raad tot een ruime uitleg van het daarin bedoelde ‘gelegenheid geven’. Hierbij past het om deze bepaling zo uit te leggen dat daaronder feitelijke handelingen en rechtshandelingen kunnen vallen en ook het aanbieden of sluiten van kansspelovereenkomsten als bedoeld in de prejudiciele vragen.
De Wok voorziet in toezicht op de naleving van de wet en in bestuursrechtelijke handhaving door de kansspelautoriteit. Ook maakt de Wok strafrechtelijke handhaving mogelijk (art. 36 Wok). De Wok bevat echter geen bepalingen over de civielrechtelijke gevolgen van overeenkomsten met aanbieders die geen vergunning hebben. De bestuurlijke en politieke aandacht voor handhaving van de Wok is ook niet uitgegaan naar civielrechtelijk optreden door het inroepen van nietigheid van overeenkomsten met illegale aanbieders. Nu de Wok niets bepaalt over de civielrechtelijke gevolgen van schending van verbodsbepalingen, moeten die gevolgen worden vastgesteld aan de hand van algemene civielrechtelijke leerstukken. De prejudiciële vragen spitsen zich toe op de eventuele nietigheid van met aanbieders van online kansspelen gesloten overeenkomsten in het licht van art. 3:40 BW.
Geen (ver)nietig(baar)heid vanwege strijd met een dwingende wetsbepaling
De Hoge Raad oordeelt eerst dat het door een online aanbieder aangaan van een overeenkomst met een deelnemer in strijd kan zijn met art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok en derhalve met een dwingende wetsbepaling in de zin van art. 3:40 lid 2 BW. Dit brengt echter geen nietigheid of vernietigbaarheid van die overeenkomst mee, omdat art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok niet de strekking heeft om de geldigheid aan te tasten van daarmee strijdige rechtshandelingen (art. 3:40 lid 3 BW). De Hoge Raad neemt in dit verband in aanmerking dat de Wok, zoals gezegd, niet de civielrechtelijke gevolgen regelt van overtredingen van haar verbodsbepalingen. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van de Wok bevat geen aanwijzing dat nietigheid of vernietigbaarheid zou zijn beoogd.
Ook geen nietigheid vanwege strijd met de openbare orde of goede zeden
De Hoge Raad ziet evenmin grond voor nietigheid van kansspelovereenkomsten met een illegale aanbieder omdat die in strijd zouden zijn met de openbare orde of de goede zeden. Hij neemt daarbij in aanmerking dat het voor de inhoud van zo’n overeenkomt geen verschil behoeft te maken of de aanbieder beschikt over een vergunning, dat de Nederlandse kansspelregulering niet wordt gekenmerkt door een categorisch verbod op kansspelen en dat kansspelovereenkomst niet op zichzelf ontoelaatbaar worden geacht. Daarnaast worden weliswaar met het verbod om zonder vergunning online kansspelen aan te bieden gewichtige maatschappelijke belangen beschermd, maar voorziet de Wok al uitdrukkelijk in sancties van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard. Ten slotte is volgens de Hoge Raad niet in te zien dat door overtreding van het verbod fundamentele beginselen worden geschonden.
Conclusie en beantwoording van de vragen
Overeenkomsten die zijn aangegaan met een aanbieder van online kansspelen die handelt in strijd met het verbod van art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok, zijn dan ook niet nietig of vernietigbaar op grond van art. 3:40 BW. Dit laat volgens de Hoge Raad wel onverlet dat zulke overeenkomsten onder omstandigheden kunnen blootstaan aan vernietiging wegens een wilsgebrek of aanleiding kunnen geven tot een vordering uit onrechtmatige daad.
De Hoge Raad antwoordt vervolgens op de eerste vraag dat de Wok van aanvang af al niet de strekking had om de geldigheid aan te tasten van overeenkomsten die zijn aangegaan met een aanbieder van kansspelen die handelt in strijd met art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok. De tweede vraag behoeft daarom geen antwoord meer. Uit de hiervoor besproken overwegingen van de Hoge Raad volgt verder dat het antwoord op de derde en vierde vraag ontkennend luidt en de vijfde vraag geen antwoord behoeft. De Hoge Raad antwoordt ten slotte op het eerste deel van de zesde vraag dat wanneer een aanbieder zijn diensten beperkt tot het aan spelers aanbieden van een online mogelijkheid om tegen elkaar te spelen, voor de tussen de spelers en deze aanbieder gesloten overeenkomsten die ertoe strekken het deelnemen aan een of meer kansspelen mogelijk te maken, hetzelfde geldt als voor zulke overeenkomsten met andere aanbieders van online kansspelen. Het tweede gedeelte van de zesde vraag behoeft daarom geen antwoord.
Afdoening
De Hoge Raad beantwoordt de vragen zoals hiervoor besproken. Die antwoorden komen overeen met de conclusie van A-G Lindenbergh.
De kansspelautoriteit heeft in de prejudiciële procedure als derde schriftelijke opmerkingen gemaakt (art. 393 lid 2 Rv). Zij werd bijgestaan door de auteur.