HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:793
De mededelingsplicht van een financiële instelling omtrent de wezenlijke kenmerken en risico’s van een rentederivaat houdt niet in dat de instelling zonder meer mededeling moet doen van haar verwachtingen over de renteontwikkeling. Onder omstandigheden kan de instelling daartoe echter wél gehouden zijn. Onbegrijpelijk oordeel dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken.
De casus
Twee ondernemers hebben in november 2005 een renteswap afgesloten om het renterisico van hun lening af te dekken. In februari 2008 hebben zij deze renteswap beëindigd. Zij hebben toen van de bank de positieve marktwaarde van EUR 150.000 ontvangen. Nadat de rente sinds januari 2008 was gestegen, hebben de ondernemers in juni 2008 met de bank gesproken over het opnieuw afsluiten van een renteswap. Een rentevisie van het Economisch Bureau van de bank van 2 juni 2008, over het eerste kwartaal van 2008 tot en met het laatste kwartaal van 2009, houdt in, onder het kopje “Rente en valutavooruitzichten”: 08Q1 4,7, 08Q2 4,8, 08Q3 4,6, 08Q4 4,0 en 09Q4 3,8. Op 27 juni 2008 hebben de ondernemers opnieuw een renteswap afgesloten.
In januari 2020 hebben de ondernemers hun renteswap buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling en de bank aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden. Zij stellen zich op het standpunt dat de bank hen bij het aangaan van de nieuwe renteswap in 2008 ten onrechte heeft gezegd dat de rente zou gaan stijgen en dat het daarom goed zou zijn om opnieuw een renteswap te sluiten, omdat de bank in werkelijkheid juist een rentedaling verwachtte. Subsidiair voeren zij aan dat de bank hen in ieder geval had moeten meedelen dat zij een rentedaling verwachtte. Naast dwaling verwijten de ondernemers de bank ook schending van haar zorgplicht.
Het hof
Het hof heeft de vorderingen van de ondernemers afgewezen. Het overwoog zowel ten aanzien van het beroep op dwaling, als met betrekking tot de zorgplichtschending dat het ook voor een bank onzeker is hoe de rente zich zal ontwikkelen, vooral op de lange(re) termijn, en dat rentevisies van een bank daarom maar een betrekkelijke waarde hebben. Zonder bijkomende omstandigheden, die hier zouden ontbreken, kon daarom volgens het hof niet worden aanvaard dat een bank die een renteswap aangaat per definitie gehouden is haar renteverwachting met haar wederpartij te delen.
Dwaling
De ondernemers klaagden in cassatie ten eerste dat het hof geen aandacht heeft besteed aan hun stelling dat de bank hun voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe renteswap in 2008 had gezegd dat de rente zou gaan stijgen en dat het daarom goed zou zijn om opnieuw een renteswap te sluiten. In dit verband hebben zij zich beroepen op art. 6:228 lid 1, aanhef en onder a, BW (dwaling vanwege een inlichting van de wederpartij). De Hoge Raad acht deze klacht gegrond, omdat het hof deze stelling inderdaad niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken.
De ondernemers klaagden ook dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat een bank die een renteswap aangaat met haar wederpartij zonder bijkomende omstandigheden, die in dit geval zouden ontbreken, niet gehouden is om haar renteverwachting te delen. Althans dat het oordeel van het hof dat van dergelijke omstandigheden geen sprake was, onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad stelt voorop dat op degene die een financieel product aanbiedt aan een wederpartij die daarover geen specifieke deskundigheid heeft, in het algemeen een mededelingsplicht rust om redelijkerwijs te voorkomen dat die wederpartij de overeenkomst aangaat onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. De aanbieder dient inlichtingen te verschaffen die voldoende duidelijk zijn om te bewerkstelligen dat de wederpartij tijdig inzicht kan krijgen in de wezenlijke kenmerken van het product. De omvang en inhoud van deze mededelingsplicht zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uitgangspunt is dat bij een rentederivaat aan deze mededelingsplicht is voldaan als in algemene productinformatie inlichtingen zijn gegeven waaruit de wederpartij tijdig inzicht heeft kunnen krijgen in de wezenlijke kenmerken en risico’s van het derivaat, zoals dat het derivaat een (aanzienlijke) negatieve waarde kan ontwikkelen die bij tussentijdse beëindiging moet worden vergoed (HR 28 juni 2019, CB 2019-109 en HR 4 oktober 2019, CB 2019-136). Deze mededelingsplicht houdt niet in dat een financiële instelling zonder meer mededeling moet doen van binnen de instelling bestaande verwachtingen over de ontwikkeling van de rente (de rentevisie). In een concreet geval kunnen zich echter omstandigheden voordoen die meebrengen dat de instelling daartoe wél gehouden is. Volgens de Hoge Raad komt het oordeel van het hof erop neer dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of een bank die een renteswap aangaat, gehouden is om haar rentevisie aan haar wederpartij mee te delen. Dit oordeel is juist, zodat de daartegen gerichte rechtsklacht faalt.
De motiveringsklacht slaagt echter. De ondernemers hadden aangevoerd dat zij begin 2008 op advies van de bank ervoor hebben gekozen om het renterisico niet langer af te dekken en hun tot dan toe lopende renteswap te beëindigen, en dat zij in juni 2008 alleen maar reden hadden om opnieuw een renteswap aan te gaan als het op dat moment de verwachting was dat de rente zou gaan stijgen, wat de bank hen ook voorhield. Het hof kon dit standpunt niet verwerpen door enkel te overwegen dat rentevisies van een bank slechts een betrekkelijke waarde hebben.
Bancaire zorgplicht – niet langer een ‘bijzondere’ zorgplicht
De ondernemers klaagden in cassatie verder over de verwerping van hun verwijt dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden. De eerste klacht in dit verband slaagt. De ondernemers hadden zich ook ter onderbouwing van de zorgplichtschending erop beroepen dat de bank, bij het aangaan van de nieuwe renteswap in juni 2008, een onjuiste mededeling heeft gedaan over haar renteverwachting. Het hof heeft deze stelling ook in dit verband ten onrechte niet besproken.
Ook de tweede zorgplichtklacht is gegrond. De Hoge Raad is het met de ondernemers eens dat het hof zelfstandig had moeten beoordelen of het feit dat de bank haar werkelijke rentevisie niet met hen heeft gedeeld, een schending van de zorgplicht oplevert. Het hof kon in dit verband niet volstaan met een verwijzing naar zijn oordeel dat geen sprake zou zijn geweest van een schending van een mededelingsplicht die een beroep op dwaling zou kunnen rechtvaardigen (zie hiervoor). Een dergelijke mededelingsplicht moet namelijk worden onderscheiden van de waarschuwingsplicht die een aanbieder van risicovolle financiële producten kan hebben uit hoofde van haar zorgplicht. Over de strekking en grondslag van deze waarschuwingsplicht overweegt de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 28 juni 2019, CB 2019-109 en HR 4 oktober 2019, CB 2019-136:
“Deze waarschuwingsplicht strekt ertoe deze wederpartij te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Zij volgt uit de zorgplicht die op een dergelijke professionele aanbieder rust in verband met zijn maatschappelijke functie en deskundigheid (in de rechtspraak van de Hoge Raad eerder ook wel aangeduid als ‘bijzondere zorgplicht’). De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaring van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s.”
Naar aanleiding van dit oordeel verdient opmerking dat reeds in HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 m.nt. Vranken, rov. 4.4.5, is geoordeeld dat deze waarschuwingsplicht verder kan gaan dan de plicht om, ter voorkoming van dwaling, inlichtingen te verschaffen over de essentiële eigenschappen van de overeenkomst. Verder doet de in het citaat tussen haakjes geplaatste tekst vermoeden dat de Hoge Raad voortaan niet meer zal spreken van een ‘bijzondere’ zorgplicht van professionele aanbieders van financiële producten (vaak banken).
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag. Deze afdoening is conform de conclusie van A-G Assink.
De ondernemers werden in cassatie bijgestaan door de auteur en Hidde Volberda en bij het hof door Roger Kroes.