Selecteer een pagina

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:813

Op grond van art. 4:71 BW komt de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in mindering op zijn legitieme portie. De opvatting dat bij de vaststelling van de in art. 4:71 BW bedoelde waarde geen rekening mag worden gehouden met het waardedrukkende effect van een voorwaarde die aan een making is verbonden, is, in haar algemeenheid, onjuist.

De casus

Erflater heeft in zijn testament een zogenoemde tweetrapsmaking opgenomen. Een tweetrapsmaking kent enerzijds een ‘bezwaarde’, die erft onder een ontbindende voorwaarde, en anderzijds een ‘verwachter’, die erft onder de spiegelbeeldige opschortende voorwaarde. In dit geval was de zoon van erflater bezwaarde, onder de ontbindende voorwaarde van zijn faillissement, en waren de kleinkinderen van erflater de verwachters, onder de opschortende voorwaarde van het faillissement van de zoon. Toen erflater overleed was de zoon failliet en was de voorwaarde dus vervuld. Kort nadien is op de zoon de schuldsaneringsregeling van toepassing geworden.

De bewindvoerder in de schuldsanering van de zoon maakt tegenover de kleinkinderen aanspraak op de legitieme portie van de zoon. De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waarop de legitimaris (hier de zoon) in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen aanspraak kan maken (art. 4:63 BW). Op de legitieme portie komt in mindering de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht (dus al op andere wijze) verkrijgt (art. 4:71 BW).

De kleinkinderen voerden als verweer dat de in art. 4:71 BW bedoelde waarde moet worden bepaald zonder rekening te houden met een aan de verkrijging verbonden voorwaarde, zoals in dit geval het faillissement van de zoon. Voor de toepassing van art. 4:71 BW zou dus gedaan moeten worden alsof de zoon zijn erfdeel onvoorwaardelijk had ontvangen. Omdat dan de waarde van zijn erfdeel groter zou zijn geweest dan de legitieme, zou na toepassing van art. 4:71 BW geen aanspraak op het vermogen van erflater meer resteren. Voor dit standpunt van de kleinkinderen was enige steun te vinden in de literatuur, met name omdat het Duitse recht een dergelijke regel kent. Zie de conclusie voor het hier besproken arrest van A-G Bartels, § 5.11.

Het hof

Het hof stelde voorop dat de zoon wél erfgenaam was geworden. Hetgeen hij had verkregen uit de nalatenschap van erflater had voor hem volgens het hof echter geen waarde gehad, omdat de ontbindende voorwaarde van faillissement al direct na het overlijden van erflater in werking zou zijn getreden met als gevolg dat de kleinkinderen onmiddellijk het volledige erfdeel van de zoon hadden ontvangen. Rekening houdend met het waardedrukkende effect van deze ontbindende voorwaarde bepaalde het hof de waarde van de erfrechtelijke verkrijging van de zoon daarom op nihil. Het hof bracht zodoende niets (van waarde) in mindering op de legitieme portie van de zoon, zodat de bewindvoerder de legitieme alsnog volledig kon opeisen.

De zoon is geen erfgenaam geworden

 Zowel de kleinkinderen (principaal), als de bewindvoerder (voorwaardelijk incidenteel) stelden cassatieberoep in. De bewindvoerder klaagde dat het hof blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het (daadwerkelijk) zijn van erfgenaam van de zoon en over de erfrechtelijke verkrijging. Hij wees erop dat de zoon al failliet was toen erflater overleed, met als gevolg dat de zoon niet (daadwerkelijk) heeft geërfd.

Deze klacht slaagt. De Hoge Raad stelt voorop dat een uiterste wilsbeschikking makingen onder voorwaarden kan bevatten (art. 4:137-4:141 BW). Een making is voorwaardelijk als haar werking afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Een tweetrapsmaking veronderstelt dat op het moment van overlijden de vervulling van de ontbindende en tevens opschortende voorwaarde toekomstig en onzeker is. Als de voorwaarde op dat moment al is vervuld, wordt niet de bezwaarde (hier de zoon) erfgenaam, maar uitsluitend de verwachter (hier de kleinkinderen).

Een waardedrukkende voorwaarde drukt de waarde (in een geval als dit)

Hoewel de kleinkinderen vanwege het oordeel in het voorwaardelijk incidentele beroep geen belang meer hadden bij hun cassatieberoep, maakt de Hoge Raad duidelijk dat dit ook op inhoudelijke gronden niet kon slagen. Het hof had namelijk – aangenomen dat de zoon wél erfgenaam zou zijn geworden – terecht rekening gehouden met het waardedrukkende effect van de ontbindende voorwaarde van faillissement. De opvatting van de kleinkinderen, dat bij de vaststelling van de in art. 4:71 BW bedoelde waarde geen rekening mag worden gehouden met het waardedrukkende effect van een voorwaarde die aan een making is verbonden, is volgens de Hoge Raad, in haar algemeenheid, onjuist. De Hoge Raad wijst daartoe op de strekking van art. 4:71 BW. Als het waardedrukkende effect van de voorwaarde genegeerd zou worden, zou afbreuk worden gedaan aan de aanspraak van de legitimaris op de legitieme portie.

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit is in lijn met de conclusie van A-G Bartels.

De bewindvoerder is in cassatie bijgestaan door de auteur en Hidde Volberda.

Share This

Cassatieblog.nl