HR 25 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:784
Voor de fair balance-maatstaf van art. 1 EP EVRM is van belang dat als – zoals bij art. 94a Sv – de doelstelling van de wet is, kort gezegd, het mogelijk maken van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de inmenging ook eigendom van derden kan betreffen, mits “these [assets] have been obtained unlawfully or the third party otherwise lacks bona fide status”.
Achtergrond
Aan een man is een onherroepelijke ontnemingsmaatregel opgelegd ter hoogte van € 24.493.121,78. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek dat aan deze ontnemingsmaatregel vooraf ging, heeft het Openbaar Ministerie op grond van art. 94a lid 4 Sv conservatoir anderbeslag gelegd, althans door buitenlandse autoriteiten laten leggen, op bankrekeningen die op naam staan van de ex-vrouw van de man. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie beslag gelegd op een aantal roerende zaken, voornamelijk kunstvoorwerpen, waarvan de vrouw stelt, maar de Staat betwist, dat deze haar eigendom zijn.
De vrouw vordert in deze zaak onder andere een verklaring voor recht dat voortzetting van de gelegde beslagen niet gerechtvaardigd is en/of dat het de Staat niet is toegestaan deze beslagen uit te winnen ten behoeve van de ontnemingsvordering ten laste van haar ex-man, alsmede opheffing van de beslagen.
De Staat is nog niet tot executie van de beslagen vermogensbestanddelen overgegaan, maar is wel voornemens dit te doen. De rechtbank en het hof hebben het geschil tegen deze achtergrond behandeld als een executiegeschil. De rechtbank heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Anderbeslag
In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 94a lid 2 Sv). Dit conservatoire strafvorderlijke beslag moet worden onderscheiden van het klassieke strafvorderlijke beslag uit art. 94 Sv dat het Openbaar Ministerie kan leggen ten behoeve van de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen.
Vanaf 1 september 2003 is hier de mogelijkheid bijgekomen om beslag te leggen op voorwerpen die niet aan een de verdachte zelf, maar aan een derde toebehoren (zie thans art. 94a lid 4 en 5 Sv). Dit wordt ook wel een ‘anderbeslag’ genoemd. Doel van de invoering van dit anderbeslag was om een instrument te creëren waarmee vermogen dat met behulp van een schijnconstructie uit de macht van de betrokken verdachte of veroordeelde is gebracht, binnen het bereik van beslag en verhaal te brengen.
Voor het leggen van anderbeslag moet aan twee vereisten zijn voldaan:
(i) er bestaan voldoende aanwijzingen dat de (beslagen) voorwerpen geheel of ten dele aan de derde zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen (het vereiste van verhaalsfrustratie), en
(ii) de derde wist dit of kon dit redelijkerwijze vermoeden (het wetenschapsvereiste).
Oorspronkelijk gold ook nog een derde vereiste, namelijk dat het voorwerp afkomstig was uit het misdrijf in verband waarmee de geldboete of ontnemingsmaatregel is opgelegd. De wetgever vond dit echter al vrij snel een te grote beperking van het instrument anderbeslag, zodat dit vereiste per 1 juli 2011 is komen te vervallen.
Art. 94a lid 5 Sv maakt het ook mogelijk om andere aan de derde toebehorende voorwerpen in beslag te nemen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen. Hiermee heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat de beslagmogelijkheid verdwijnt wanneer de derde het voorwerp opsoupeert of anderszins wegmaakt. Ook als het voorwerp nog niet is weggemaakt, kan lid 5 uitkomst bieden, bijvoorbeeld omdat andere voorwerpen makkelijker zijn om uit te winnen of als het oorspronkelijke voorwerp inmiddels in waarde is gedaald.
Het geding in cassatie
In cassatie klaagt de vrouw onder meer dat het hof heeft miskend dat toepassing van art. 94a lid 4 en 5 Sv in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: EP EVRM). Volgens de vrouw is niet voldaan aan het vereiste van lawfulness en is er ook geen sprake van een fair balance, omdat de vrouw de beslagen voorwerpen heeft verkregen vóórdat art. 94a lid 4 en 5 Sv (in de huidige vorm) is ingevoerd.
De Hoge Raad overweegt ten eerste dat art. 1 EP EVRM het ongestoorde genot van eigendom beschermt en dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM inmenging in het recht op ongestoord genot van eigendom lawful moet zijn. Dit vereiste van lawfulness bestaat eruit dat voor de inmenging een voldoende toegankelijke, precieze en qua toepassing en gevolgen voldoende voorzienbare basis in het recht bestaat.
Ten tweede overweegt de Hoge Raad dat een inmenging gericht moet zijn op legitieme doelstellingen in het algemeen belang (het vereiste van een legitimate aim).
Ten derde mag de inmenging niet disproportioneel zijn; er moet een fair balance zijn tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechter anderzijds. Hierbij komt aan de wetgever een wide margin of appreciation toe.
De eis dat de wettelijke grondslag voor de inperking voldoende voorzienbaar is wat betreft toepassing en gevolgen, moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld op het moment van de inmenging (zie bijv. EHRM 2 mei 2024, nr. 35271/19 (The J. Paul Getty Trust e.a./Italië), punt 281, 293-294 en 306 en EHRM 23 oktober 2025, nr. 26338/19 (Tartamella e.a./Italië), punt 180 en 186).
Wat betreft de fair balance, is onder meer van belang dat als de doelstelling van de wet is, kort gezegd, het mogelijk maken van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de inmenging ook eigendom van derden kan betreffen, mits “these [assets] have been obtained unlawfully or the third party otherwise lacks bona fide status” (zie bijv. EHRM 23 oktober 2025, nr. 26338/19 (Tartamella e.a./Italië), punt 193 in samenhang met punt 189-190).
Het hof heeft overwogen dat het enkele feit dat nieuwe regelgeving het gebruik van al bestaande eigendom beperkt of aantast, op zichzelf geen strijd met art. 1 EP EVRM oplevert. Dit strookt met bovenstaande overwegingen over het vereiste van voorzienbaarheid.
Het hof heeft verder overwogen dat art. 94a lid 4 Sv de eis stelt dat de vrouw wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat bepaalde vermogensbestanddelen aan haar zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren. Het hof heeft vervolgens ook vastgesteld dat de vrouw daadwerkelijk wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de man vermogensbestanddelen aan haar heeft overgedragen met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren. Volgens het hof wist de vrouw vanaf de aanvang dat de aan haar door de man ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen niet waren bedoeld voor haarzelf, en alleen maar bij haar werden gestald voor toekomstige aanwending door de man en zijn vennootschappen. Tegen de achtergrond van wat hierboven is vermeld over het vereiste van een fair balance, getuigt dit oordeel volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit toereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, conform de conclusie van A-G Snijders.
De Staat is in cassatie bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland en Jellis Jansen.