Selecteer een pagina

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:817

(1) Formele rechtskracht staat er niet aan in de weg dat de burgerlijke rechter in een procedure tussen de Ontvanger en een derde oordeelt over de materiële verschuldigdheid van een belastingschuld van een ander, indien voor die derde tegen de belastingaanslagen geen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. De Hoge Raad onderscheidt drie gevallen waarin dit aan de orde is en komt terug van het arrest Dumatrust/Ontvanger.

(2) Niet uitgesloten is dat de Ontvanger door een belastingvordering in het faillissement in te dienen of te handhaven onrechtmatig handelt jegens een derde die door de curator voor die belastingschuld aansprakelijk is gesteld. Met het aannemen van een dergelijke onrechtmatigheid moet echter behoedzaam worden omgegaan.

Aanleiding

Deze zaak kent een uitgebreide voorgeschiedenis en leidde al tot twee eerdere arresten van de Hoge Raad.

Eiser begeleidde in 2006 als ‘gespecialiseerd insolventieadviseur’ een saneringstraject bij een groep vennootschappen in de autobranche. Deze vennootschappen zijn kort daarna failliet verklaard. De Ontvanger heeft in de faillissementen vorderingen ingediend voor een reeks belastingaanslagen. Tegen die aanslagen zijn de vennootschappen en de curator destijds niet opgekomen. Wel heeft de curator de insolventieadviseur aansprakelijk gesteld (een zgn. Peeters/Gatzen-vordering) en schadevergoeding gevorderd, die hoofdzakelijk bestaat uit deze belastingschuld.

In de door de curator aangespannen procedure heeft de insolventieadviseur eerder de verschuldigdheid van deze belastingschuld (tevergeefs) betwist. Het gerechtshof Amsterdam wees de vordering van de curator toe, en de Hoge Raad verwierp het door de insolventieadviseur tegen het arrest ingestelde cassatieberoep (op een klacht over de ingangsdatum van de wettelijke rente na), waarover CB 2018-30. Daarna kreeg de insolventieadviseur de beschikking over nieuwe informatie en vorderde hij herroeping van het eerdere arrest van het hof. Het hof wees die vordering af. Dat arrest werd vervolgens door de Hoge Raad vernietigd (waarover CB 2022-116). Na terugwijzing is de zaak tussen de curator en de insolventieadviseur geschikt.

De onderhavige zaak betreft een door de insolventieadviseur tegen de Ontvanger aangespannen procedure. Hij vordert (i) dat de Ontvanger de in faillissement ingediende belastingvorderingen als materieel onverschuldigd buiten invordering stelt, en (ii) vergoeding van de schade die de Ontvanger door het indienen van de belastingvordering heeft veroorzaakt. Aan zijn vorderingen heeft de insolventieadviseur ten grondslag gelegd dat de Ontvanger onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door die belastingvordering in het faillissement in te dienen.

Toetsing van de belastingschuld in drie gevallen

In cassatie spitst het geschil zich toe op de vraag of de burgerlijke rechter zich in deze procedure tussen de Ontvanger en een derde – de insolventieadviseur – een eigen oordeel mag vormen over de materiële verschuldigdheid van de belastingschuld, gegeven dat de betrokken belastingaanslagen jegens de belastingschuldige onherroepelijk zijn geworden. Staat de formele rechtskracht van de belastingaanslagen hieraan in de weg? Zo nee, dient de burgerlijke rechter de materiële verschuldigdheid ten volle te toetsen, of marginaal? Maakt het uit dat de insolventieadviseur in dit geval de belastingschuld al ter discussie heeft kunnen stellen in de procedure tegen de curator?

De Hoge Raad onderscheidt in het onderhavige arrest drie gevallen waarin – in een procedure tussen de Ontvanger en een derde – de materiële verschuldigdheid van de belastingschuld van een ander aan de orde kan worden gesteld.

 (i) Ontvanger stelt derde aansprakelijk

Het eerste geval betreft de situatie dat de Ontvanger een derde aansprakelijk stelt voor de belastingschuld van een ander. Deze derde moet dan de mogelijkheid hebben om de materiële verschuldigdheid van die belastingschuld bij de burgerlijke rechter te betwisten, indien voor hem niet een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan tegen de betrokken belastingaanslagen. Het beginsel van formele rechtskracht staat daar niet aan in de weg, zo oordeelde de Hoge Raad reeds in het arrest Intertrust/Ontvanger (waarover CB 2011-35).

 (ii) Ontvanger en derde zoeken verhaal op dezelfde schuldenaar

Het tweede geval betreft de situatie dat de Ontvanger en een derde beiden als schuldeiser verhaal zoeken op dezelfde schuldenaar. Ook over dit geval heeft de Hoge Raad zich eerder uitgesproken: in het arrest Dumatrust/Ontvanger (waarover  CB 2011-51) oordeelde hij nog dat burgerlijke rechter in deze situatie van concurrerend verhaal niet geroepen is om de belastingschuld van de derde inhoudelijk te beoordelen. In het onderhavige arrest komt de Hoge Raad echter terug van deze beslissing in Dumatrust/Ontvanger. A-G Snijders deed daartoe al een voorzet in zijn conclusie (zie nr. 3.10).

Nu overweegt de Hoge Raad dat ook bij een dergelijk concurrerend verhaal de derde als schuldeiser het recht heeft om de materiële verschuldigdheid te betwisten van de belastingschulden waarvoor de Ontvanger verhaal zoekt. Dit sluit aan bij het wettelijk stelsel van de renvooiprocedure in art. 485a e.v. Rv en art. 122 e.v. Fw, aldus de Hoge Raad. Ook in dit geval staat de formele rechtskracht niet aan toetsing van de belastingvordering in de weg, indien voor de derde-schuldeiser niet een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan.

 (iii) Curator stelt derde aansprakelijk voor belastingschuld van failliet

Het derde geval, ten slotte, betreft de situatie die in de onderhavige zaak aan de orde is, namelijk dat de curator in het faillissement van de belastingschuldige de belastingschuld voor rekening van de derde heeft gebracht, op de grond dat de derde de gezamenlijke schuldeisers van de failliet onrechtmatig heeft benadeeld.

De Hoge Raad wijst voor deze situatie in de eerste plaats richting de curator: de derde kan in een dergelijk geval tegenover de curator aanvoeren dat deze de verschuldigdheid van de belastingschuld moet bestrijden, of dat deze of de belastingschuldige die verschuldigdheid ten onrechte niet of onvoldoende heeft bestreden. Het daardoor veroorzaakte nadeel moet dan voor rekening van de boedel blijven, en behoort ook in de verhouding tot de schuldeisers van de failliet niet voor rekening van de derde te komen.

Daarnaast is niet uitgesloten dat de Ontvanger onrechtmatig jegens de derde handelt door belastingvorderingen in het faillissement in te dienen of te handhaven. De Hoge Raad maant echter tot behoedzaamheid: niet voldoende is dat de vordering achteraf geheel of gedeeltelijk ongegrond blijkt. Anders dan in de onder (i) en (ii) besproken gevallen, gaat de Hoge Raad in dit geval van een marginale toets uit:

“3.3.3. De burgerlijke rechter kan in een geval als in deze zaak aan de orde onrechtmatigheid aannemen indien de Ontvanger wettelijk de mogelijkheid heeft de betrokken belastingvordering buiten invordering te stellen, hem daartoe tevergeefs een verzoek is gedaan, en de derde stelt – en bij voldoende gemotiveerde betwisting bewijst – dat de Ontvanger ten tijde van het indienen dan wel het handhaven van de vordering kennis droeg van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Ontvanger – eventueel na enig onderzoek als de feiten en omstandigheden aanleiding gaven tot gegronde twijfel – in redelijkheid niet kon oordelen dat de belastingaanslagen materieel verschuldigd waren. De formele rechtskracht van de aanslag waarbij de belasting is vastgesteld, doet daaraan niet af.”

Wat de toetsingsintensiteit betreft, zit de Hoge Raad op een andere lijn dan A-G Snijders. De A-G meende dat het hof ten onrechte een marginale toets heeft aangelegd (zie conclusie, nrs. 3.26, 3.36).

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep. Hij wijkt daarmee als gezegd af van de conclusie van A-G Snijders.

Share This

Cassatieblog.nl