Selecteer een pagina

HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1188

Een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen als de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Herroeping van een vonnis of arrest omdat een partij stukken heeft achtergehouden (art. 382 onder c Rv)

Deze uitspraak gaat over art. 382 onder c Rv. Dit artikel bepaalt dat een vonnis (of arrest) dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij kan worden herroepen als de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen, die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. Het artikel bevat bepalingen van gelijke strekking voor gevallen waarin een partij bedrog heeft gepleegd in de procedure of die partij de valsheid van stukken na het vonnis heeft erkend of die valsheid achteraf wordt vastgesteld.

Aanleiding van de procedure

In mei en november 2006 is een aantal vennootschappen (de Vennootschappen) failliet verklaard met benoeming van een curator. Voorafgaand aan deze faillissementen had Eiser van januari tot en met maart 2006 als insolventieadviseur een saneringstraject voor de Vennootschappen begeleid. In het kader van het saneringstraject zijn de activa van drie Vennootschappen verkocht. Uit de opbrengst daarvan is een aantal grote schuldeisers geheel of gedeeltelijk voldaan en is het honorarium van Eiser betaald.

De Curator heeft een zogeheten ‘Peeters/Gatzen’-vordering (onrechtmatig handelen van Eiser tegen de crediteuren in de faillissementen) ingesteld tegen Eiser in verband met faillissementsfraude. Verschillende rechters bevestigden de aansprakelijkheid van eiser (zie hier en hier). Uiteindelijk sluiten partijen in 2018 een vaststellingsovereenkomst op grond waarvan eiser € 750.000 betaalt aan de Curator.

In een nieuwe procedure vordert Eiser herroeping van het arrest van het hof in de aansprakelijkheidsprocedure en alsnog afwijzing van de vorderingen van de Curator. Eiser voert daartoe onder meer aan dat hij na het arrest in de aansprakelijkheidsprocedure stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de curator zijn achtergehouden als bedoeld in art. 382 onder c Rv. Het betoog van Eiser komt er in de kern op neer dat door de Vennootschappen onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan, dat die hebben geresulteerd in onjuiste aanslagen en dat de op 25 januari 2019 door hem in de fysieke administratie aangetroffen bescheiden dat aantonen. De Curator heeft deze stukken achtergehouden, aldus Eiser.

Het hof wijst de vordering tot herroeping af in dit arrest. Eiser stelt daartegen cassatieberoep in.

De Hoge Raad casseert

Het hof had de vordering van Eiser tot herroeping ten eerste afgewezen, omdat de belastingaanslagen bij de Vennootschappen formele rechtskracht hadden en de belastingschulden daarmee vaststonden. De Hoge Raad vindt die gedachtegang niet juist, omdat de formele rechtskracht van de aanslagen niet belet dat Eiser het materieel niet-bestaan van de belastingclaim inroept ter afwering van zijn aansprakelijkheid (rov. 3.1.2):

“De vordering van de curator is gebaseerd op het onbetaald gebleven zijn van de vordering van de fiscus op de [A] vennootschappen (hierna: de belastingclaim). Het oordeel van het hof, dat erop neerkomt dat het verweer van [eiser] dat de belastingclaim materieel niet bestaat, niet tot een andere uitkomst zou hebben kunnen leiden in de aansprakelijkheidsprocedure omdat de curator de desbetreffende belastingaanslagen niet meer met succes had kunnen aanvechten nu deze reeds voor de faillissementen formele rechtskracht hadden gekregen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Deze omstandigheid neemt immers niet weg dat het materieel niet-bestaan van de belastingclaim in dit geval, waarin de fiscus nagenoeg de enige onbetaalde crediteur is in de faillissementen van de [A] vennootschappen, tot het oordeel kan leiden dat de Peeters/Gatzen-vordering niet toewijsbaar is.”

Het hof had ten tweede geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de stukken over de onjuiste belastingaanslagen boven water zouden zijn gekomen als de Curator grondig onderzoek had gedaan in de administratie, geen lichte schuld van de Curator oplevert, zoals vereist voor de toepassing van art. 382 onder c Rv. Dit oordeel is in de ogen van de Hoge Raad onbegrijpelijk (rov. 3.2.2):

“In het arrest in de aansprakelijkheidsprocedure (…) heeft het hof overwogen dat de door de curator gestelde gezamenlijkheid van crediteuren goeddeels neerkomt op één schuldeiser, namelijk de fiscus. Uit de gedingstukken van de aansprakelijkheidsprocedure blijkt dat [eiser] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de materiële juistheid van de belastingclaim heeft betwist. [eiser] heeft in dat kader onder meer aangevoerd dat de administratie van de failliete vennootschappen uitsluitsel moet bieden over het al dan niet (materieel) bestaan van de belastingclaim en dat hij tevergeefs heeft getracht de complete administratie van de gefailleerde vennootschappen te mogen inzien. De curator heeft in reactie hierop onder meer aangevoerd dat de administratie van de [A] vennootschappen voor faillissement deels is vernietigd door de directie en/of [eiser]. (…) In het thans bestreden arrest heeft het hof vastgesteld dat [eiser] op 25 januari 2019 van de directie van de [A] vennootschappen een omvangrijke hoeveelheid fysieke administratie heeft ontvangen, waarin zich de stukken bevonden waarop hij zijn herroepingsvordering baseert.

In het licht van het voorgaande ontbreekt een toereikende motivering voor het oordeel van het hof dat de aangetroffen stukken niet door toedoen van de curator zijn achtergehouden in de zin van art. 382, onder c, Rv. In het bijzonder valt in het licht van de in het onderdeel geschetste context zonder nadere motivering niet in te zien waarom het nalaten van grondig onderzoek om de bedoelde stukken boven water te halen, geen lichte schuld oplevert. (…)

Bij de beantwoording van de vraag of de stukken die [eiser] op 25 januari 2019 in handen heeft gekregen, door toedoen van de curator zijn achtergehouden in de zin van art. 382, onder c, Rv, moet de curator geacht worden bekend te zijn geweest met de inhoud van het objectieve recht. In zijn arrest van 2 december 2016 [ECLI:NL:HR:2016:2722] heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de inhoud van het objectieve recht – met name de reikwijdte van art. 49 lid 7 Invorderingswet 1990. Dat recht gold ook reeds ten tijde van de aansprakelijkheidsprocedure, zodat de curator geacht moet worden daarmee bekend te zijn geweest.”

Volgt vernietiging en verwijzing. Noemenswaardig is dat A-G Rank-Berenschat had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad gaat dus contrair.

Share This