HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7066 (Dumatrust c.s./Ontvanger c.s.) 

De juistheid van de door de Belastingdienst opgelegde aanslagen kan niet bij de civiele rechter ter discussie worden gesteld door crediteuren van de belastingplichtige, die verhaal zoeken op dezelfde vermogensbestanddelen als de Ontvanger. Het opleggen van de aanslagen en het niet afzien van het wettelijk voorrangsrecht is in dit geval bovendien niet onrechtmatig jegens deze andere crediteuren van de belastingplichtige. 

Dumatrust c.s. zijn drie gelieerde vennootschappen die beslag hebben gelegd op twee panden die toebehoren aan hun ex-bestuurder en zijn echtgenote. De vordering op het echtpaar betrof gelden die het op grote schaal aan de vennootschappen had onttrokken. Dumatrust heeft de Belastingdienst informatie gegeven over het echtpaar en de verduistering, in de hoop  medewerking  te krijgen bij het verhaal op het echtpaar. Die medewerking is echter niet verleend. De Ontvanger heeft op basis van dwangbevelen ten laste van het echtpaar eveneens beslag gelegd op de panden. Dumatrust heeft daarop de Ontvanger verzocht af te zien van de preferentie die art. 21 Invorderingswet 1990 hem toekent ten aanzien van de opbrengst van de panden. Dit verzoek is afgewezen door de Staatssecretaris van Financiën.

Dumatrust is een procedure gestart tegen de Ontvanger en de Staat, waarin zij de geldigheid van de aan het echtpaar opgelegde aanslagen (en daarmee van de op basis daarvan gelegde beslagen) aan de orde stelde. Verder betoogt zij dat de Ontvanger en de Staat onrechtmatig hebben gehandeld jegens Dumatrust (onder meer) door geen afstand te doen van het wettelijke voorrangsrecht uit de Invorderingswet. De rechtbank en het Hof hebben de vorderingen van Dumatrust afgewezen. In cassatie wordt het arrest van het hof op diverse gronden bestreden, waarvan ik hierna de meest interessante bespreek.

Dumatrust betoogt ten eerste dat het hof heeft miskend dat de civiele rechter de aan het echtpaar opgelegde aanslagen inhoudelijk moet beoordelen, omdat anders een rechtsvacuüm zou ontstaan. De rechter kan namelijk de rechtmatigheid van het beslag niet beoordelen zonder een oordeel te vellen over de geldigheid van de aanslagen. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Het gaat hier namelijk niet om een geval waarin Dumatrust door de Belastingdienst in haar vermogen aansprakelijk wordt gehouden voor of in verband met de belastingschuld van het echtpaar.

“Zodanige vordering van de Belastingdienst tegen derden hangt dan ten nauwste samen met de aan de belastingschuldige opgelegde belastingaanslag, in welk geval onder omstandigheden in verband met de eisen van een doeltreffende rechtsbescherming grond kan bestaan te aanvaarden dat de aangesproken partij die de gegrondheid van de belastingschuld niet aan de belastingrechter heeft kunnen voorleggen, het bestaan en de hoogte van die belastingschuld door de burgerlijke rechter moet kunnen laten beoordelen.”

Vergelijk in dat verband HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686, door Nicoline Bergman besproken op Cassatieblog.nl.

In deze zaak gaat het echter om de situatie dat de Ontvanger voor de belastingschuld van het echtpaar verhaal zoekt op hun vermogen, terwijl ook Dumatrust op dat vermogen verhaal zoekt voor haar vordering op het echtpaar.

“Daarom kunnen Dumatrust c.s. in dit geding niet opkomen tegen de aan [het echtpaar] opgelegde belastingaanslagen. De (op onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking gegronde) vorderingen van Dumatrust c.s. in dit geding tegen de Ontvanger c.s. hangen immers niet samen met enigerlei aansprakelijkheid van Dumatrust c.s. in hun vermogen voor het ontstaan of onbetaald blijven van de belastingschuld van [het echtpaar].”

Verder heeft Dumatrust gesteld dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door geen afstand te doen van zijn wettelijke voorrangsrecht. Het Hof heeft haar daarin niet gevolgd. In cassatie betoogt Dumatrust (onder meer) dat uit het arrest Ontvanger/Hamm q.q. (HR 5 september 1997, NJ 1998, 437) volgt dat Dumatrust had moeten voorgaan op de belastingheffing. De Hoge Raad verwerpt dat betoog:

“De zeer beperkte uitzondering op het wettelijk preferentiestelsel die in het arrest Ontvanger/Hamm q.q. is aanvaard voor gevallen van betaling zonder rechtsgrond als gevolg van een onmiskenbare vergissing of van een daarmee voor de toepassing van de Faillissementswet op een lijn te stellen oorzaak (vgl. HR 7 juni 2002, LJN AE3796, NJ 2002/608) leent zich niet voor toepassing in de onderhavige, wezenlijk andere, situatie.”

Daarnaast voert Dumatrust aan dat de bescherming van eigendom, gelet op art. 6 EVRM en art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, in de weg staat aan (toepassing van) de voorrangsregel van art. 21 Invorderingswet 1990. Ook op dit punt wordt Dumatrust  niet gevolgd:

“Met het bedoelde wettelijk preferentiestelsel is de wetgever niet getreden buiten de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot de noodzaak en aanvaardbaarheid van maatregelen om verhaal voor belastingschulden te verzekeren. Niet gezegd kan worden dat het verhaal van de Ontvanger op de voet van art. 21 Iw 1990 op goederen van de beide belastingschuldigen niet verenigbaar is met de in het onderdeel genoemde bepalingen, ook niet waar Dumatrust c.s. daardoor in hun eigen verhaalsmogelijkheden worden beknot.”

Nu ook alle overige cassatieklachten van Dumatrust falen, verwerpt de Hoge Raad het beroep.

Share This