HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814
Volgens rechtspraak van het HvJEU worden een dochtermaatschappij en een moedermaatschappij die daarin (nagenoeg) alle aandelen houdt voor de toepassing van de mededingingsregels als één onderneming gezien. Dat werkt ook door in de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een vordering tot aansprakelijkheid wegens overtreding van de mededingingsregels: die kan worden aangebracht bij de rechter van het land waar één van beiden woonplaats heeft (art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis). De rechter kan alleen dan geen bevoegdheid aannemen als op voorhand uitgesloten is dat de moedermaatschappij beslissende invloed had op de dochtermaatschappij.
Achtergrond
Deze uitspraak is een vervolg op een tussenuitspraak (HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965, zie CB 2023-117) waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Op 13 februari 2025 heeft het HvJEU antwoord gegeven op die vragen (ECLI:EU:C:2025:85). In de hier besproken uitspraak gaat de Hoge Raad in op de betekenis van die antwoorden voor de afdoening van deze zaak.
Zoals eerder op dit blog besproken is de aanleiding voor deze procedure de volgende. De Griekse mededingingsautoriteit, de Hellenic Competition Commission (HCC), heeft in 2014 geoordeeld dat Athenian Brewery (AB) tussen 1998 en 2014 haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft misbruikt. Heineken hield in die periode 98,8% van de aandelen in AB. Een concurrent van AB, de Macedonian Thrace Brewery (MTB), had de HCC verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken, maar de HCC had dit verzoek afgewezen omdat er geen feiten waren die wezen op betrokkenheid van Heineken bij de schendingen van de mededingingswet door AB. MTB vordert bij de Nederlandse rechter een verklaring voor recht dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schending van art. 102 VWEU en/of art. 2 van de Griekse mededingingswet.
De vraag rijst of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen AB.
Bevoegdheid op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis
Het hof acht zich bevoegd op grond van art. 8 lid 1 Verordening 1215/2012 (Verordening Brussel I-bis, ook wel de EEX-Verordening). Op grond van die bepaling kan de rechter in het land waar één van de gedaagden in een procedure zijn woonplaats heeft (de ‘ankergedaagde’) ook bevoegdheid aannemen voor vorderingen ten aanzien van andere gedaagden. Voorwaarde daarvoor is dat tussen die vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.
In dit geval ziet de vordering van MTB op aansprakelijkheid van Heineken en de Griekse dochtermaatschappij AB voor een inbreuk op de mededingingsregels. De Nederlandse rechter is in elk geval bevoegd om kennis te nemen van die vordering voor zover die zich richt tegen het in Nederland gevestigde Heineken. Bestaat voldoende samenhang met de vordering tegen AB om ervoor te zorgen dat de Nederlandse rechter ook ten aanzien van AB bevoegdheid kan aannemen?
Samenhangende vorderingen in mededingingszaken
Het HvJEU heeft zich eerder uitgesproken over het gebruik van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I bis in een aansprakelijkheidsprocedure die voortkwam uit een inbreuk op de mededingingsregels. In dat geval ging het om een door de Europese Commissie vastgestelde kartelinbreuk. Het HvJEU oordeelde dat in dat geval de samenhang tussen de vorderingen tegen de verschillende deelnemers aan het kartel was gegeven: doordat zij hadden deelgenomen aan één voortdurende inbreuk moesten de deelnemers er volgens het HvJEU rekening mee houden dat zij zouden worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft (HvJEU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide), punt 21).
De vraag is nu of dat ook geldt in dit geval, waarin een moedermaatschappij aansprakelijk wordt gesteld voor een mededingingsinbreuk door haar dochter. Van belang is ten eerste dat Griekse mededingingsautoriteit niet had vastgesteld dat Heineken bij de inbreuk betrokken was. Daarnaast is in de rechtspraak van het HvJEU de regel ontwikkeld dat ten aanzien van een moedermaatschappij die (vrijwel) alle aandelen in een dochtermaatschappij houdt, een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij beslissende invloed had op het handelen van de dochter (ook: de ‘Akzo-doctrine’) (zie de vindplaatsen in de uitspraak van het HvJEU van 13 februari 2025, punt 37). In zo’n geval vormen zij, voor de toepassing van de mededingingsregels, één ‘onderneming’.
Kan dat vermoeden van beslissende invloed in dit geval meebrengen dat voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen op Heineken en op AB om die gezamenlijk te behandelen? Of moet de rechter, in de fase van het vaststellen van de bevoegdheid, onderzoeken of Heineken die beslissende invloed daadwerkelijk had of heeft uitgeoefend?
Wat dit laatste betreft is relevant dat het HvJEU in de arresten Kolassa (HvJEU 28 januari 2015, EU:C:2015:37) en Universal Music (HvJEU 16 juni 2016, EU:C:2016:449), kort gezegd, heeft geoordeeld dat de aangezochte rechter zijn bevoegdheid niet enkel vaststelt aan de hand van de stellingen van de eiser/verzoeker, maar ook aan de hand van gegevens van de verweerder, maar dat de rechter niet, vooruitlopend op het onderzoek naar de gegrondheid van de vordering, hoeft over te gaan tot een uitgebreide bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten.
In zijn tussenarrest legde de Hoge Raad de volgende vragen voor aan het HvJEU:
“1. Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten [Kolassa] en [Universal Music]? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van artikel 8, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?”
Het antwoord van het HvJEU
Het HvJEU herhaalt in zijn prejudiciële beslissing zijn vaste rechtspraak over art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Daarbij benadrukt het HvJEU dat die bepaling niet gebruikt mag worden om op ‘kunstmatige wijze’ bevoegdheid ten aanzien van andere gedaagden te creëren van de rechter in het land waar de ankergedaagde woonplaats heeft (punt 25).
Vervolgens gaat het hof in op de rechtspraak over de toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis bij vorderingen die voortvloeien uit een inbreuk op het mededingingsrecht. Aan die toepassing staat niet in de weg dat de inbreuk niet door de Europese Commissie is vastgesteld, aldus het HvJEU (punt 30 e.v.).
Verder kan het vermoeden van beslissende invloed dat in het kader van de toepassing van de mededingingsregels is ontwikkeld inderdaad meebrengen dat een dochtermaatschappij wordt betrokken in een procedure in het land waar de moedermaatschappij is gevestigd (punt 35 e.v. en dictum).
Dat vermoeden kan ter discussie worden gesteld in de fase van het vaststellen van de bevoegdheid, aldus het hof. Daarbij mag de aangezochte rechter in beginsel uitgaan van samenhang tussen vorderingen tegen een dochtermaatschappij en een (nagenoeg) 100%-moedermaatschappij. In een geval waarin de beslissende invloed ter discussie wordt gesteld kan de aangezochte rechter zich daarom ertoe beperken “na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming om zich bevoegd te kunnen verklaren voor zover het nationale recht dit toestaat” (punt 45).
De rechter kan dus bevoegdheid aannemen op grond van het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, maar:
“46. (…) De verificatie dat de vordering tegen de moedermaatschappij, waarvan de woonplaats de bevoegdheid van de aangezochte rechter rechtvaardigt, niet kunstmatig is, veronderstelt echter dat de verwerende partijen zich kunnen beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.”
Afdoening door de Hoge Raad
Wat betekent dit nu voor de bij vorderingen tegen Heineken en AB bij de Nederlandse rechter? De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht bevoegdheid heeft aangenomen en verwerpt het cassatieberoep. Het hof had, in acht genomen wat het HvJEU daarover heeft geoordeeld, niet indringender hoeven onderzoeken of Heineken daadwerkelijk beslissende invloed had of heeft uitgeoefend. In rov. 4.2 vat de Hoge Raad die overwegingen van het HvJEU samen.
De Hoge Raad wijst erop dat het hof heeft vastgesteld dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken. Ook heeft het hof overwogen dat wel in geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen. Daarbij heeft het hof overwogen dat in de hoofdzaak zal moeten worden uitgemaakt of de vorderingen tegen Heineken kunnen worden toegewezen, en dat alleen als dat op voorhand uitgesloten is, het misbruik van de bevoegdheidsregels oplevert om de zaak bij de Nederlandse rechter aan te brengen. Dat is hier volgens het hof niet het geval. De Hoge Raad besluit:
“Met dit oordeel is het hof, in lijn met hetgeen het HvJEU heeft overwogen (…), bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis nagegaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van Heineken op AB. Daarbij heeft het hof kenbaar acht geslagen op de betwisting door Heineken c.s., maar is het tot de slotsom gekomen dat een beslissende invloed niet op voorhand kan worden uitgesloten. Aldus is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde het zijn oordeel evenmin nader te motiveren.”
Met deze uitspraak volgt de Hoge Raad de aanvullende conclusie van A-G Drijber.