HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1528 (Hartsuiker q.q./Verweerders)

Niet uitgesloten is dat onder omstandigheden op een curator een eigen, uit art. 6:162 BW voortvloeiende rechtsplicht rust om zaken te verwijderen die op enig tijdstip voorafgaand aan het intreden van het faillissement als gevolg van natrekking uit het vermogen van de schuldenaar zijn geraakt en dus niet tot de boedel behoren.

Achtergrond

Koster Metalen hield zich bezig met de recycling van – u raadt het al – metalen. De buurman van Koster Metalen, Middelkoop Beheer, hield zich ook bezig met de recycling van metalen. In 2012 spraken Koster Metalen en Middelkoop Beheer met elkaar af dat zij elkaars percelen zouden huren en dat zij de percelen in 2021 zouden ruilen. Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van art. 7:230a BW van toepassing verklaard. Deze algemene bepalingen houden onder meer in dat Koster Metalen bij het einde van de huurovereenkomst als huurder verplicht is om alle zaken die door haar in, aan of op het gehuurde zijn aangebracht, op eigen kosten te verwijderen.

Koster Metalen heeft op het door haar van Middelkoop Beheer gehuurde terrein circa 110 containers met inhoud (schroot, schroothoudend materiaal en schroothoudend zand) geplaatst om te dienen als ‘keerwal’ om het terrein te compartimenteren.

Koster Metalen is vervolgens failliet verklaard. De curator heeft de huur van het terrein op de voet van art. 39 Fw beëindigd en het terrein ontruimd. De containers heeft hij echter laten staan. Middelkoop Beheer heeft de containers daarom zelf verwijderd. Middelkoop Beheer heeft de vordering tot vergoeding van de verwijderingskosten gecedeerd aan derden. In deze procedure proberen de cessionarissen hun vordering op de boedel te verhalen.

De procedures bij rechtbank en hof

De rechtbank heeft de curator veroordeeld tot betaling van de verwijderingskosten en heeft voor recht verklaard dat deze vordering gekwalificeerd moet worden als boedelschuld.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Indien de containers roerend zouden zijn gebleven, staat volgens het hof (in het licht van het arrest Koot Beheer/Tideman, besproken in CB 2013-78) niet ter discussie dat de curator gehouden zou zijn geweest de containers te verwijderen. Middelkoop Beheer zou zich in dat geval volgens het hof op grond van haar eigendomsrecht van het terrein kunnen verzetten tegen storing in het genot van dat recht en van de curator verwijdering van de containers – in dat geval tot de boedel behorende zaken – verlangen.

Het feit dat de containers onroerend zijn geworden, maakt dat het niet langer gaat om tot de boedel behorende zaken. Middelkoop Beheer heeft dus niet langer een (zuiver) goederenrechtelijke actie die strekt tot verwijdering. Van inbreuk op haar eigendomsrecht is dan immers strikt genomen geen sprake meer: haar eigendomsrecht omvat dan ook de containers. Volgens het hof is de vraag of de curator in dat geval een op de betamelijkheidsnorm van art. 6:162 BW gebaseerde rechtsplicht heeft tot het verwijderen van de containers.

Het hof komt tot een bevestigende beantwoording van deze vraag. Volgens het hof rust op een curator in zijn hoedanigheid de plicht bij zijn handelen de zorgvuldigheid in acht te nemen die jegens een ander betaamt. Dat brengt volgens het hof in het onderhavige geval mee dat het, in het licht van wat zou gelden als de containers roerend zouden zijn gebleven, in strijd met de jegens Middelkoop Beheer vereiste zorgvuldigheid moet worden geacht het terrein na het einde van de huur met een beroep op het onroerend karakter van de containers achter te laten met die containers. Deze containers hebben volgens het hof namelijk een aanzienlijke negatieve waarde.

Procedure in cassatie

De curator klaagt in cassatie over het oordeel van het hof dat op de curator een eigen – op de betamelijkheidsnorm van art. 6:162 BW gebaseerde – rechtsplicht rust om de containers te verwijderen. Volgens de curator kan van een dergelijke eigen verplichting van de curator geen sprake zijn, indien het gaat om zaken die als gevolg van natrekking voorafgaand aan het intreden van het faillissement uit het vermogen van de schuldenaar zijn geraakt en dus niet tot de boedel behoren.

Deze klacht berust volgens de Hoge Raad op een rechtsopvatting die in haar algemeenheid niet juist is. Volgens de Hoge Raad is namelijk niet uitgesloten dat onder omstandigheden op de curator een eigen, uit art. 6:162 BW voortvloeiende rechtsplicht rust om zaken te verwijderen die op enig tijdstip voorafgaand aan het intreden van het faillissement als gevolg van natrekking uit het vermogen van de schuldenaar zijn geraakt en dus niet tot de boedel behoren. Het middel faalt dus.

De incidentele klacht van de cessionarissen slaagt wel. Het hof had aan het dictum het volgende toegevoegd:

“en veroordeelt [verweerders] om (een deel van) dit bedrag aan de curator terug te betalen indien en voor zover de boedel van [A] niet toereikend blijkt te zijn om alle boedelvorderingen te voldoen;”

Volgens de Hoge Raad is het hof met oplegging van deze voorwaardelijke terugbetalingsverplichting buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. De curator had in hoger beroep namelijk geen beroep gedaan op uitstel van betaling wegens onzekerheid of er voldoende actief zal zijn. Evenmin lag in het betoog van de curator besloten dat het hof aan de cessionarissen een voorwaardelijke terugbetalingsverplichting diende op te leggen.

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het principale beroep en vernietigt het arrest van het hof met betrekking tot de voorwaardelijke terugbetalingsverplichting.

Met betrekking tot het incidentele beroep wijkt dit oordeel af van de conclusie van A-G Snijders.

Share This

Cassatieblog.nl