Selecteer een pagina

HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1657

Deze zaak gaat over de rechtspositie van een bestuurder van een Curaçaose vennootschap die, op grond van de daarop betrekking hebbende wettelijke bepalingen van Curaçao, door de Ontvanger aansprakelijk wordt gehouden voor volgens de Ontvanger openstaande belasting- en premieschulden van de vennootschap. Het Gemeenschappelijk Hof heeft over diverse aspecten van de rechtspositie van de bestuurder prejudiciële vragen gesteld.

De feiten en de onderwerpen van de vragen

De Ontvanger van het land Curaçao heeft dwangschriften uitgevaardigd voor onbetaald gelaten belasting en premies betreffende de AVBZ, Basisverzekering Ziektekosten, loonbelasting, omzetbelasting en winstbelasting door Venta Trading N.V. De Ontvanger heeft vervolgens executoriaal beslag doen leggen op roerende zaken van de bestuurder. Venta en de bestuurder hebben een verzetschrift tegen de voorgenomen veiling van de zaken bij de Ontvanger laten betekenen.

De bestuurder vordert in deze procedure opheffing van het beslag, staking van de veiling en – mocht de Ontvanger overgaan tot veiling – ook schadevergoeding. Volgens de bestuurder kan hij om verschillende redenen niet aansprakelijk worden gehouden voor de belasting- en premieschulden van Venta, en is de hoogte van de aan Venta opgelegde aanslagen niet juist. De bestuurder heeft verzocht om Venta in de procedure te mogen oproepen.

Het Gemeenschappelijk Hof heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

De prejudiciële vragen stellen aan de orde (i) welke rechtsmiddelen een bestuurder heeft om zijn aansprakelijkheid voor volgens de Ontvanger openstaande belasting- en premieschulden van de vennootschap waarvan hij bestuurder is aan te vechten, (ii) tot welke rechter (de belastingrechter, de algemene bestuursrechter of de burgerlijke rechter) een bestuurder zich daarvoor moet wenden, (iii) wat een bestuurder bij welke rechter aan de orde kan stellen en (iv) hoe de procedure bij de burgerlijke rechter op enkele aspecten verloopt (al dan niet oproepen van de vennootschap en al dan niet aanhouden van de zaak).

Om welke regelingen gaat het?

De Hoge Raad geeft eerst de voor deze zaak toepasselijke wettelijke regelingen weer. In deze zaak zijn een vijftal wettelijke regelingen van belang waaruit aansprakelijkheid van een bestuurder kan voortvloeien (de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten, de Landsverordening basisverzekering ziektekosten, de Landsverordening op de Loonbelasting 1976, de Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: LOb 1999) en de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: LWb 1940)).

Voor elk van deze verordeningen geldt dat de aansprakelijkheid rechtstreeks uit de wet volgt; daarvoor is niet een daartoe strekkende beschikking of aanslag vereist. Daarbij is alleen in art. 16 lid 2 LWb 1940 voorzien in een disculpatiemogelijkheid voor de bestuurder.

Rechtsbeschermingsmogelijkheden

Bij de belastingrechter

Vanwege het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het Curaçaose belastingrecht, staan de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep alleen open tegen een opgelegde belastingaanslag en tegen een beschikking van de Inspecteur waarvan de wet bepaalt dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt. Tegen de op bezwaar genomen beslissing van de Inspecteur staat beroep open bij de belastingrechter van het Gerecht, waarna hoger beroep bij de belastingkamer van het hof en vervolgens beroep in cassatie bij de Hoge Raad openstaan.

Omdat de aansprakelijkheid van de bestuurder niet berust op een aan de bestuurder opgelegde aanslag of een beschikking, maar rechtstreeks voortvloeit uit de wet, kan de bestuurder niet tegen zijn aansprakelijkstelling beroep instellen bij de belastingrechter. Hij kan ook geen bezwaar maken en beroep instellen tegen de aan de vennootschap gerichte beschikkingen of opgelegde aanslagen, ook niet als daarop de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder berust. Alleen de vennootschap heeft deze bevoegdheid, aldus de Hoge Raad.

Uit het gesloten stelsel van fiscale rechtsbescherming volgt verder dat alleen in uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen voor een bestuurder de mogelijkheid openstaat om over zijn aansprakelijkstelling een aan hem gerichte, voor beroep vatbare beschikking te krijgen van de Inspecteur. Zoals wanneer een bestuurder een beroep doet op de onmogelijkheid om voor betaling te zorgen als bedoeld in art. 16 lid 2 LWb 1940. Over een dergelijk beroep beslist de Inspecteur bij beschikking (art. 16 lid 4 LWb 1940); tegen die beschikking staat beroep open bij de belastingrechter (art. 16 lid 6 LWb 1940).

Bij de bestuursrechter

De bestuurder kan op grond van geen van de landsverordeningen bij de bestuursrechter opkomen tegen zijn aansprakelijkstelling.

Bij de burgerlijke rechter

Uit art. 4 Landsverordening dwanginvordering volgt dat de bestuurder die aansprakelijk wordt gehouden bij de burgerlijke rechter verzet kan aantekenen tegen een door de Ontvanger uitgevaardigd dwangschrift. Uit art. 4 lid 3 Landsverordening dwanginvordering volgt dat het verzet zich niet kan keren tegen, kort gezegd, de aanslag of beschikking die ten uitvoer wordt gelegd. Het verzet is vooral een middel om op te komen tegen de executie als zodanig. Dit laat echter onverlet dat de bestuurder in de verzetprocedure ook zijn aansprakelijkheid aan de orde kan stellen. De aansprakelijkstelling vindt immers niet plaats door middel van een aanslag of een beschikking, zodat de bestuurder deze aansprakelijkstelling niet langs fiscaal- of bestuursrechtelijke weg ter discussie kan stellen.

Daarnaast heeft de aansprakelijk gestelde bestuurder de mogelijkheid het invorderingsrecht aan de orde te stellen in een executiegeschil zoals bedoeld in art. 438 RvC of in een gewone civiele bodemprocedure. Hij kan dan in beginsel alles aan de orde stellen wat aan uitvoering van het dwangschrift in de weg zou staan. Dit betekent onder meer dat de bestuurder de materiële juistheid van de aan de vennootschap gerichte aanslag of beschikking aan de burgerlijke rechter ter beoordeling kan voorleggen, ook als de belastingrechter inmiddels over die aanslag of beschikking heeft geoordeeld en die aanslag of beschikking inmiddels onherroepelijk is. Ten aanzien van de bestuurder heeft een dergelijke beslissing in het Curaçaose stelsel immers geen formele rechtskracht gekregen, nu de bestuurder de materiële verschuldigdheid van de belastingschulden niet langs fiscaal- of bestuursrechtelijke weg ter discussie heeft kunnen stellen. De bevoegdheid die de Inspecteur heeft om onjuiste belastingaanslagen ambtshalve te verminderen doet aan het voorgaande niet af.

Als de bestuurder aansprakelijk is gesteld op grond van de LWb 1940, kan hij bij de Inspecteur een beroep doen op de disculpatiemogelijkheid van art. 16 lid 2 LWb 1940. Tegen de beslissing daarop staat de fiscale rechtsgang open. Aan de uitkomst daarvan is de burgerlijke rechter gebonden. De bestuurder kan niet bij de burgerlijke rechter een beroep doen op de disculpatiemogelijkheid van art. 16 lid 2 LWb 1940, nu voor de bestuurder immers een met voldoende waarborgen omklede fiscale rechtsgang heeft opengestaan.

Indien de bestuurder aansprakelijk is gesteld op grond van de LOb 1999 kan hij in de procedure ten overstaan van de burgerlijke rechter betwisten dat aan zijn zijde sprake is van toedoen wat betreft de niet-betaling van de omzetbelasting door de vennootschap, omdat voor hem niet een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstond.

De overige landsverordeningen bevatten voor de bestuurder niet een mogelijkheid tot disculpatie. Dit laat onverlet dat de bestuurder ten overstaan van de burgerlijke rechter een beroep kan doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de grond dat zich omstandigheden voordoen die maken dat de aansprakelijkstelling van de bestuurder in het concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Overige procedurele aspecten

Volgens de Hoge Raad bestaat er geen grond om de vennootschap in de procedure op te roepen in een door de bestuurder aanhangig geschil in verband met zijn aansprakelijkstelling voor door de vennootschap onbetaald gelaten aanslagen of beschikkingen. De vennootschap is immers geen geëxecuteerde in de zin van art. 438 lid 5 RvC, en zij wordt wat betreft de eigen aansprakelijkheid niet geraakt door de uitkomst van een door de bestuurder aanhangig gemaakt executiegeschil of aanhangig gemaakte gewone civiele bodemprocedure over de aansprakelijkstelling van de bestuurder.

Art. 16 lid 7 LWb 1940 regelt dat indien en zodra de aansprakelijk gestelde bestuurder een beroep doet op de in die bepaling genoemde disculpatiemogelijkheid, ten aanzien van hem de invordering van de belastingschuld wordt geschorst. Als de bestuurder op grond van art. 16 lid 2 LWb 1940 een beroep doet op disculpatie, moet de burgerlijke rechter de zaak daarom in beginsel aanhouden. Bij een afwijzende beschikking van de Inspecteur als bedoeld in art. 16 lid 4 LWb 1940 geldt de schorsing – en daarmee de aanhouding van de zaak door de burgerlijke rechter – tot ommekomst van de beroepstermijn, tenzij de bestuurder eerder te kennen geeft van die beschikking niet in beroep te zullen komen. Als de bestuurder in beroep komt, loopt de schorsing van de invordering en de aanhouding van de zaak bij de burgerlijke rechter door totdat de belastingrechter op het beroep heeft beslist. De Inspecteur kan de schorsing echter opheffen en machtiging verlenen voor invorderingsmaatregelen als hij meent dat de betrokkene de schorsing misbruikt tot het verrichten van handelingen die de verhaalsmogelijkheden in gevaar brengen (zie art. 16 lid 7 LWb 1940).

Verder verdient volgens de Hoge Raad opmerking dat een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende belastingschuld wordt geformaliseerd door middel van het opleggen van een aanslag aan de belastingplichtige (de vennootschap). Als de belastingplichtige tijdig, dat wil zeggen binnen de voor betaling van de belastingschuld gegeven wettelijke termijn, het daartoe bevoegde bestuursorgaan schriftelijk heeft verzocht om uitstel van betaling en dat verzoek is gehonoreerd, dan moet de burgerlijke rechter daarmee rekening houden. Zolang op een dergelijk verzoek niet is beslist, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de belastingplichtige uitstel van betaling geniet en dat ook de bestuurder dan nog niet tot betaling kan worden aangesproken. Als de belastingplichtige tegen een hem opgelegde aanslag bezwaar en beroep heeft ingesteld bij de belastingrechter, dan staat het de burgerlijke rechter verder vrij de zaak van de bestuurder aan te houden in afwachting van de uitkomst van die procedure van de belastingplichtige. De rechter is daartoe evenwel niet verplicht.

Share This

Cassatieblog.nl