Selecteer een pagina

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948 (William Schrikker Stichting, De Raad voor de Kinderbescherming en de belanghebbenden)

Als een screening van een pleeggezin door een pleegzorgaanbieder niet heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is, of de pleegzorgaanbieder meent dat de plaatsing grote veiligheidsrisico’s voor het kind met zich brengt en zij daarom geen verantwoordelijkheid (meer) voor die plaatsing wil dragen, brengt dit niet zonder meer mee dat de minderjarige niet in dat pleeggezin geplaatst kan worden of geplaatst kan blijven. Als de rechter of de Gecertificeerde Instelling (GI) echter van oordeel is dat plaatsing in het pleeggezin voor de minderjarige onvoldoende veilig is, moet plaatsing in dat gezin voorkomen of beëindigd worden.
Voor ouders van een minderjarig kind dat onder voogdij staat, bestaat geen regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij. Dit is geen hiaat in de wetgeving waarin de rechter zou moeten voorzien.

De feiten

 De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over het in 2021 geboren kind. Vanwege een echtelijke ruzie woont het kind sinds 2022 bij de oma aan moederszijde. Aanvankelijk met instemming van de ouders. In 2023 heeft de rechtbank het kind onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma verleend. Bij beschikking heeft de rechtbank in 2024 op verzoek van de GI de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd en bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma. De oma heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij tussenbeschikking de raad verzocht het raadsonderzoek uit te breiden met de vraag of een voortgezette plaatsing van de minderjarige bij de oma in zijn belang moet worden geacht en of zijn veiligheid daar voldoende is gewaarborgd. De raad heeft geadviseerd dat de minderjarige de kans moet krijgen om te blijven opgroeien in de voor hem vertrouwde gezinssituatie bij de oma. De raad verzoekt daarnaast de rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen.

 In deze procedure verzoekt de GI om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige en verzoekt de raad om het ouderlijk gezag van de ouders te beëindigen en de GI te benoemen tot voogd over de minderjarige. De rechtbank heeft in een tussenbeschikking een tweetal vragen aan de Hoge Raad gesteld.

De eerste prejudiciële vraag

 Met de eerste prejudiciële vraag stelt de rechtbank aan de orde of het mogelijk is om een kind in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico’s voor een kind met zich brengt en zij daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen.

Volgens de Hoge Raad staat aan plaatsing bij een (netwerk)pleeggezin de omstandigheid dat screening van dat pleeggezin door een pleegzorgaanbieder niet heeft plaatsgevonden, als zodanig niet in de weg. Ook de omstandigheid dat een screening van het pleeggezin wel heeft plaatsgevonden maar geen positieve uitkomst heeft, of de omstandigheid dat de pleegzorgaanbieder niet of niet langer verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen omdat hij van oordeel is dat grote veiligheidsrisico’s voor de minderjarige bestaan, brengt volgens de Hoge Raad niet zonder meer mee dat de minderjarige niet in dat pleeggezin geplaatst kan worden of geplaatst kan blijven.

Het resultaat van de screening en de zorgen van de pleegzorgaanbieder over de veiligheid van de minderjarige zullen volgens de Hoge Raad echter wel veel gewicht in de schaal leggen, zowel voor de gecertificeerde instelling bij het bepalen van de verblijfplaats van de minderjarige op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing, als voor de rechter bij het beslissen op een verzoek tot verlening of verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing of een verzoek om toestemming voor wijziging van de verblijfplaats.

Ook andere informatie zal volgens de Hoge Raad een rol kunnen spelen, zoals de informatie en adviezen van de raad. Is de GI van oordeel dat de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige, dan dient zij met het oog op het recht van de minderjarige op veiligheid en bescherming van de plaatsing of de voortzetting daarvan af te zien. Is de rechter van oordeel dat de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige, dan dient hij, gelet op het recht van de minderjarige op veiligheid en bescherming, zodanig te beslissen dat plaatsing in het pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd.

De tweede prejudiciële vraag

De tweede vraag heeft betrekking op de mogelijkheden voor ouders om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen. Hoewel deze vraag thans niet aan de orde is in de onderhavige procedure, geeft de Hoge Raad toch antwoord op de vraag.

Volgens de Hoge Raad voorziet de wet niet in een regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij. De tweede vraag ziet op de vraag of de rechter vanwege het ontbreken van een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen, in een zodanig geschil art. 1:253a of 1:377a BW overeenkomstig moet toepassen.

Het ontbreken van een regeling over de uitvoering van voogdij valt volgens de Hoge Raad te verklaren doordat in geval van voogdij het gezag over het minderjarige kind en daarmee de verantwoordelijkheid voor diens verzorging en opvoeding niet bij de ouders ligt, maar bij de voogd. De positie van de ouders verschilt in zoverre niet van die van een ouder van een minderjarig kind dat onder het eenhoofdig gezag van de andere ouder staat: ook deze ouder kan geen gebruik maken van de regelingen voor geschillen van art. 1:253a BW en art. 1:262b BW. De Hoge Raad noemt in zijn arrest wel enkele mogelijkheden die een ouder wiens minderjarig kind onder voogdij staat heeft om voor zijn rechten en belangen als ouder bij de rechter op te komen. Hij noemt onder andere het verzoeken om een omgangsregeling en het verzoeken om op de hoogte te worden gesteld van informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen.

Daarom is volgens de Hoge Raad het ontbreken van een regeling om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen geen hiaat in de wetgeving waarin de rechter, bijvoorbeeld door analoge toepassing van art. 1:253a BW of art. 1:377a BW, zou moeten voorzien.

Afdoening

De Hoge Raad beantwoordt de vragen op de hiervoor weergegeven wijze. Dit is in lijn met de conclusie van A-G Coenraad.

Share This

Cassatieblog.nl