Selecteer een pagina

HR 10 april 2026 ECLI:NL:HR:2026:596

Deze uitspraak gaat over de verdeling van aansprakelijkheid binnen een onderneming voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels. Deze verdeling is een kwestie van nationaal recht. Een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij is niet zonder meer onrechtmatig jegens haar moedermaatschappij, zo oordeelt de Hoge Raad.

Feiten en procesverloop

De meelfabrikant Meneba krijgt een boete van de ACM van € 9 miljoen wegens inbreuk op het kartelverbod. Ten tijde van de inbreuk was de vennootschap Bencis aandeelhouder van Meneba. Bencis krijgt ook een boete van € 1,2 miljoen opgelegd omdat zij invloed uitoefende op Meneba en daarom in deze periode met Meneba één onderneming vormde in de zin van het mededingingsrecht.

Meneba is overgenomen door de vennootschap Dossche.

In deze procedure vordert Bencis een verklaring voor recht dat Dossche met de door Meneba gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht onrechtmatig jegens Bencis heeft gehandeld en dat Dossche namens Meneba hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Bencis geleden schade. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Oordeel Hoge Raad

In cassatie klaagt Bencis onder meer over de afwijzing van de vordering op grond van onrechtmatige daad. In dit kader voert Bencis in de kern aan dat het hof heeft miskend dat de inbreuk op het mededingingsrecht door Meneba, afhankelijk van de omstandigheden, onrechtmatig jegens Bencis kan zijn en dat daarbij betekenis toekomt aan de stellingen dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat zij geen bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat zij voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba due diligence onderzoek had gedaan en/of dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.

De Hoge Raad overweegt dat uitgangspunt is dat de verdeling binnen een onderneming van aansprakelijkheid voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels een kwestie van nationaal recht is en dat het aan de nationale rechterlijke instanties is om deze verdeling op grond van het op het geding toepasselijke nationale recht te bepalen met inachtneming van het recht van de Unie. Het hof heeft dit met juistheid vooropgesteld, zo oordeelt de Hoge Raad.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer onrechtmatig jegens haar moedermaatschappij is, ook niet als die moedermaatschappij niet op de hoogte was van de inbreuk. Bijkomende omstandigheden kunnen het gedrag van de dochtermaatschappij onrechtmatig doen zijn jegens de moedermaatschappij, bijvoorbeeld als de dochter de moeder bewust heeft misleid of onkundig heeft gehouden ten aanzien van de inbreuk op het mededingingsrecht.

Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn in deze zaak niet aan de orde, gelet op het volgende.

De rechtbank heeft geoordeeld dat niet zijn komen vast te staan de stellingen van Bencis:
– dat Bencis in het due diligence-onderzoek voorafgaand aan de overname van de aandelen Meneba specifiek heeft gevraagd naar mededingingsrechtelijke overtredingen,
– dat daarbij van de zijde van Meneba uitdrukkelijk is bevestigd dat er geen overtredingen zijn of werden gepleegd, en
– dat dat jaarlijks is bevestigd door Meneba.

Hiertegen is niet gegriefd, althans het hof heeft in de stellingen van Bencis in hoger beroep niet een grief gelezen tegen dat oordeel. De enkele stelling van Bencis dat Meneba de inbreuk voor haar verborgen heeft gehouden, heeft het hof kennelijk als onvoldoende concreet verworpen. Het oordeel van het hof komt er aldus op neer dat geen sprake is van bijkomende omstandigheden, zo oordeelt de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Deze uitspraak is in lijn met de conclusie van A-G Drijber.

Share This

Cassatieblog.nl