HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:680
Caribische zaak. Behoudens een andersluidende regeling zijn de huuropbrengsten van een nalatenschapsgoed burgerlijke vruchten waarin de erfgenamen delen naar evenredigheid van hun aandelen (art. 3:172 BW Curaçao). Met zijn oordeel dat zodanige huurinkomsten geen vruchten van de boedel zijn maar inkomsten van een gebruikende deelgenoot die het goed voor eigen rekening verhuurt, heeft het hof ofwel het voorgaande miskend, ofwel zijn oordeel dat sprake is van gebruik door een deelgenoot als bedoeld in art. 3:169 BW Curaçao onvoldoende gemotiveerd.
Aanleiding
Deze Caribische zaak betreft een geschil over de verdeling van huurinkomsten uit een perceel dat onderdeel uitmaakt van een langdurig onverdeeld gebleven nalatenschap. De oorspronkelijke erflaters zijn reeds in 1970 en 1988 overleden. Hun nalatenschap moet (inmiddels) over zes staken worden verdeeld. Vanaf 2005 is het perceel door een aantal van de erfgenamen verhuurd aan een marmerhandel. De huurinkomsten zijn door de verhurende erfgenamen geïnd en zijn dus niet aan de gezamenlijke erfgenamen ten goede gekomen. Een (andere) groep erfgenamen vordert in deze procedure een veroordeling van de overige erfgenamen om over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap met verrekening van deze huuropbrengsten.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt echter dat de huurinkomsten niet zijn aan te merken als vruchten van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:172 BW Curaçao. Volgens het hof was hier sprake van verhuur ‘voor eigen rekening’ door een deelgenoot in de onverdeelde nalatenschap, die op grond van art. 3:169 BW Curaçao gebruik heeft gemaakt van het perceel. Omdat het een gebruik met uitsluiting van de andere deelgenoten betreft, is volgens het hof hiervoor wel een gebruiksvergoeding verschuldigd. De huurpenningen als zodanig zijn volgens het Hof echter inkomsten van de gebruikende deelgenoot, die dus niet verdeeld hoeven te worden.
In cassatie
In cassatie wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de huuropbrengsten wel degelijk als vruchten van een gemeenschappelijk goed moeten worden aangemerkt en dat die opbrengsten op grond van art. 3:172 BW Curaçao in beginsel naar evenredigheid hadden moeten worden verdeeld. Er bestaat geen uitzondering op die hoofdregel als sprake zou zijn van huurinkomsten ‘van een gebruikende deelgenoot’ die ‘voor eigen rekening’ een overeenkomst zou hebben gesloten. Volgens het middel verwart het Hof de regelingen van art. 3:172 en 3:169 BW Curaçao. Deze klacht slaagt.
De Hoge Raad stelt voorop dat de relevante bepalingen van het Curaçaose BW nagenoeg gelijkluidend zijn aan de corresponderende bepalingen van het Nederlandse BW. Mede gelet op het concordantiebeginsel moeten ze op dezelfde wijze worden uitgelegd. Vervolgens zet de Hoge Raad uiteen hoe die bepalingen zich tot elkaar verhouden.
Art. 3:172 BWC bepaalt dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, tenzij een regeling anders bepaalt. Vruchten en andere voordelen die een tot een nog niet verdeelde gemeenschap behorend goed oplevert, behoren aldus eveneens tot die gemeenschap. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt (art. 3:9 lid 2 BW Curaçao). Huuropbrengsten zijn burgerlijke vruchten in de zin van laatstgenoemde bepaling
Ingevolge art. 3:169 BW Curaçao is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is en tenzij een regeling anders bepaalt. Deze bepaling heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.
Met zijn oordeel over de huuropbrengsten heeft het hof heeft ófwel miskend dat – behoudens een andersluidende regeling – de huuropbrengsten van een gemeenschappelijk goed burgerlijke vruchten zijn waarin de deelgenoten delen naar evenredigheid van hun aandelen (art. 3:172 BW Curaçao), ófwel zijn oordeel dat in dit geval sprake is van gebruik door een deelgenoot in de zin van art. 3:169 BW Curaçao, onvoldoende gemotiveerd. De enkele vaststelling dat de deelgenoot het perceel ‘voor eigen rekening’ heeft verhuurd, is in dit verband niet een voldoende motivering.
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en verwijst het geding terug naar het hof ter verdere behandeling en beslissing. Deze beslissing is in lijn met de conclusie van A-G Ibili.