Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679
De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv.
Achtergrond en geschil in feitelijke instanties
Betrokkene is op veertienjarige leeftijd aangehouden en circa twee en een halve dag in verzekering gesteld op grond van een verdenking van medeplichtigheid aan een gewapende overval in het huis van haar vader. De strafzaak tegen betrokkene is uiteindelijk geseponeerd.
De strafrechter heeft aan betrokkene op de voet van art. 89 (oud) Sv een billijke vergoeding toegekend ter vergoeding van immateriële schade als gevolg van de inverzekeringstelling. In deze civiele procedure vordert betrokkene voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar in verzekering te stellen. Zij vordert voorts een vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij als gevolg daarvan zou hebben geleden.
Het hof heeft de vorderingen van betrokkene toegewezen. De Staat heeft cassatieberoep ingesteld. Betrokkene heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Kader: inverzekeringstelling (van minderjarigen) en schadevergoeding voor strafvorderlijk optreden
Op grond van art. 54 Sv kan de (hulp)officier van justitie de verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten buiten heterdaad aanhouden en naar een plaats van verhoor leiden. Op bevel van de (hulp)officier van justitie kon de verdachte dan maximaal zes uur worden opgehouden voor onderzoek (art. 61 lid 1 (oud) Sv). Vervolgens kan de (hulp)officier van justitie bevelen dat de verdachte in verzekering wordt gesteld (art. 57 lid 1 Sv). De inverzekeringstelling moet nodig zijn in het belang van het onderzoek.
Art. 59a lid 1 (oud) Sv bepaalde dat de verdachte uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur na diens aanhouding voor de rechter-commissaris wordt geleid. Deze kan de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte bevelen, als hij de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt.
Met de voorgeleidingstermijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv heeft de wetgever beoogd te voldoen aan de vereisten van art. 5 EVRM. Dat artikel beoogt willekeurige en onrechtmatige vrijheidsontneming te verbieden. In art. 5 lid 3 EVRM is neergelegd dat iedere gearresteerde of gedetineerde onverwijld voor een rechter dient te worden geleid. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat deze voorgeleiding in beginsel uiterlijk vier dagen na de aanhouding dient plaats te vinden.
Het voorgaande geldt ook voor minderjarigen. Daarnaast bepaalt art. 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Art. 37 IVRK bevat bepalingen om kinderen te beschermen tegen onwettige of willekeurige vrijheidsbeneming die inhoudelijke sterk overeenkomen met art. 5 EVRM.
Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, kan de rechter op gronden van billijkheid aan de gewezen verdachte een vergoeding toekennen voor de schade die hij als gevolg van de rechtmatig of onrechtmatig ondergane inverzekeringstelling heeft geleden (art. 89 lid 1 jo. art. 90 (oud) Sv).
Daarnaast kan de gewezen verdachte bij de burgerlijke rechter een vergoeding vorderen voor schade die het gevolg is van onrechtmatig strafvorderlijk optreden. Dergelijke optreden is slechts onrechtmatig, als een of meer van de twee gronden uit het Begaclaim-arrest (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:AV6956) zich voordoen.
Zie voor het toepasselijk kader uitgebreider nr. 3.3-3.17 van de conclusie van A-G Snijders.
Gebondenheid burgerlijke rechter aan oordeel strafrechter in de art. 89 (oud) Sv-procedure
Zowel het middel in het principale beroep als het middel in het incidentele beroep klagen over het oordeel van het hof over zijn gebondenheid als burgerlijke rechter aan het oordeel van de strafrechter in de art. 89 (oud) Sv-procedure.
Het hof had overwogen dat betrokkene haar art. 89 (oud) Sv-verzoek had beperkt tot de vergoeding van haar immateriële schade. Dat had volgens het hof enerzijds tot gevolg dat betrokkene in deze civiele procedure slechts een vergoeding van haar materiële schade kon vorderen. Anderzijds betekende dit volgens het hof dat het voor deze civiele procedure, voor zover die ziet op de materiële schade, niet relevant is dat de strafrechter in zijn schadevergoedingsbeschikking had geoordeeld dat er destijds een voldoende bedenking bestond om de inverzekeringstelling van betrokkene te rechtvaardigen.
De Staat klaagt dat het hof met dit laatste oordeel heeft miskend dat de burgerlijke rechter die heeft te oordelen over de rechtmatigheid van een bevel tot inverzekeringstelling gebonden is aan het eerdere oordeel van de strafrechter in de procedure ex. art. 89 (oud) Sv daarover, althans zich daarnaar moet richten. Deze klacht faalt, omdat het oordeel van het hof volgens de Hoge Raad niet in strijd is met het oordeel in de beschikking. Het hof had de inverzekeringstelling namelijk onrechtmatig bevonden op de grond dat deze niet noodzakelijk was en had dus niet geoordeeld dat een voldoende verdenking ontbrak.
Betrokkene bestrijdt het oordeel van het hof dat zij in deze civiele procedure geen vergoeding kan vorderen van haar immateriële schade. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad overweegt dat art. 89 (oud) Sv er niet aan in de weg staat dat de gewezen verdachte later op grond van onrechtmatige daad een schadevergoedingsvordering instelt bij de burgerlijke rechter. In die civielrechtelijke procedure kan de verdachte, in overeenstemming met art. 5 lid 5 EVRM, aanspraak maken op een volledige vergoeding van de schade die hij als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsbeneming heeft geleden. De burgerlijke rechter kan dus een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toekennen dan de strafrechter in de art. 89 (oud) Sv-procedure heeft gedaan.
Het hof heeft het bevel tot inverzekeringstelling onvoldoende terughoudend getoetst
De Staat komt met verschillende klachten op tegen het oordeel van het hof dat het bevel tot inverzekeringstelling is gegeven in strijd met art. 37 sub b IVRK en art. 5 lid 1 EVRM en daarom van meet af onrechtmatig was. Deze klachten slagen grotendeels.
De Hoge Raad overweegt dat de burgerlijke rechter de afwegingen die de (hulp)officier heeft gemaakt bij het uitvaardigen van een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend moet toetsen, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Dat betekent dat de burgerlijke rechter slechts kan ingrijpen als de keuzes van de (hulp)officier van justitie in redelijkheid niet navolgbaar zijn. Deze beoordeling dient ‘ex tunc’ plaats te vinden (zie het eerder genoemde Begaclaim-arrest).
Het hof had aan zijn onrechtmatigheidsoordeel onder meer ten grondslag gelegd dat het verhoor bij een betere planning en bij meeweging van de belangen van betrokkene had kunnen worden afgerond binnen de termijn van het dwangmiddel van het ophouden voor onderzoek (zes uur). Daarmee heeft het hof een eigen oordeel gegeven over de noodzaak van de inverzekeringstelling. Het hof heeft dus niet de vereiste terughoudendheid in acht genomen.
De Hoge Raad oordeelt voorts dat het hof met zijn hierboven weergegeven oordeel in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vordering van betrokkene heeft aangevuld en buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Betrokkene had namelijk niet aangevoerd dat haar inverzekeringstelling onrechtmatig was, omdat het verhoor bij een betere planning had kunnen worden afgerond binnen de termijn van het ophouden voor onderzoek.
De Hoge Raad vernietigt tot slot ook de oordelen van het hof (i) dat er geen enkele aanwijzing is dat de Staat heeft stilgestaan bij het belang van de minderjarige betrokkene om niet in verzekering te worden gesteld en (ii) dat dit belang duidelijk geen eerste overweging is geweest. Uit de gedingstukken blijkt dat de officier van justitie het belang van betrokkene om niet in verzekering te worden gesteld (of om die inverzekeringstelling thuis te ondergaan) heeft afgewogen tegen het onderzoeksbelang en dat laatste belang zwaarwegender heeft geoordeeld. In het licht daarvan zijn bovenstaande oordelen van het hof onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.
Voor minderjarigen geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn
Het middel van de Staat bestrijdt tot slot het (ten overvloede gegeven) oordeel van het hof dat ook de duur van de inverzekeringstelling onrechtmatig was, omdat betrokkene niet binnen 24 uur voor een rechter was geleid. Deze klacht slaagt.
De Hoge Raad wijst erop dat een verdachte op grond van art. 5 lid 3 EVRM, gelezen in het licht van de rechtspraak van het EHRM, onverwijld en in beginsel uiterlijk binnen vier dagen na diens aanhouding moet worden voorgeleid. Bij de vraag of een voorgeleiding voldoende onverwijld is, speelt de omstandigheid dat de verdachte minderjarig is een grote rol. Art. 37 sub d IVRK bepaalt dat de verdragstaten waarborgen dat ieder kind dat van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft de wettigheid van de vrijheidsberoving te betwisten bij een rechter. General Comment No. 10 bij het IVRK, opgesteld door het VN-Kinderrechtencomité, bevatte ten tijde van de inverzekeringstelling van betrokkene een niet-bindende aanbeveling inhoudende dat elk kind dat is aangehouden en gedetineerd binnen 24 uur voor een rechter moeten worden geleid.
De Hoge Raad overweegt dat art. 59a lid 1 (oud) Sv – dat gold ten tijde van de inverzekeringstelling van betrokkene – bepaalde dat de verdachte uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur na diens aanhouding voor een rechter-commissaris wordt geleid om te worden gehoord. De hierboven genoemde bepalingen uit het EVRM en IVRK en de niet-bindende aanbeveling uit General Comment No. 10 brengen niet in het algemeen mee dat voor minderjarigen een kortere voorgeleidingstermijn geldt. Het oordeel van het hof dat de zinsnede “uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur” in art. 59a lid 1 (oud) Sv, wanneer het gaat om een “veertienjarig meisje”, moet worden uitgelegd als “binnen 24 uur” is dus in zijn algemeenheid onjuist.
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt het arrest zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep. Dat is in lijn met de conclusie van A-G Snijders.
De Staat is in cassatie bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland en de auteur en in feitelijke instanties door Jerre Perenboom.