Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:510
Het bezit van staat (art. 1:209 BW) biedt geen bescherming bij een buitenlandse geboorteakte die een door geboorte ontstane familierechtelijke betrekking vastlegt die voortvloeit uit een huwelijk, als dit huwelijk in Nederland vanwege het polygame karakter kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (10:32 BW) en daarom niet kan worden erkend.
Achtergrond
Deze zaak heeft betrekking op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN en op bezit van staat (art. 1:209 BW).
De vader van verzoeker is in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander. Vanaf 1992 tot en met 1997 was de vader van verzoeker gehuwd met zijn eerste partner. Tijdens dit huwelijk, is de vader in 1995 nogmaals gehuwd, te Ghana, met de moeder van verzoeker. Uit dit tweede (gelijktijdige, ‘bigame’) huwelijk is verzoeker in 1997 geboren te Ghana. Dertien jaar later is in Ghana een geboorteakte opgemaakt. Verzoeker heeft in deze zaak verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit als zoon van een Nederlandse vader, die in de geboorteakte als zijn vader is vermeld.
Het leerstuk ‘bezit van staat’
Naast art. 17 RWN is in deze zaak een beroep gedaan op art. 1:209 BW. Deze laatste bepaling bevat het leerstuk ‘bezit van staat’ dat van oorsprong een familierechtelijk leerstuk is. Art. 1:209 BW luidt:
“Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.”
Met ‘staat’ wordt gedoeld op iemands familierechtelijke betrekkingen. ‘Bezit van staat’ in art. 1:209 BW duidt op die betrekkingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm. Dit artikel kan van toepassing zijn wanneer sprake is van een discrepantie tussen de staat volgens de wet en de staat volgens de geboorteakte. De staat volgens de geboorteakte hoort overeen te komen met de staat volgens de wet. Hiertussen kan discrepantie ontstaan als gevolg van de nietigheid van de in de geboorteakte vastgelegde rechtshandeling. In zo’n geval kan art. 1:209 BW een helpende hand bieden. In de kern houdt deze bepaling namelijk in dat gebreken in iemands geboorteakte hem niet kunnen worden tegengeworpen, indien zijn (bezit van) staat overeenstemt met de afstamming die hij volgens de geboorteakte heeft. Van dit bezit van staat is sprake als de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.
Dit familierechtelijke leerstuk ‘bezit van staat’ beoogt de rechtszekerheid en het belang van het kind te beschermen. Het is vaste rechtspraak dat deze rechtszekerheid en bescherming zich ook uitstrekken tot buitenlandse geboorteaktes waaraan een gebrek kleeft. In de nationaliteitsprocedure van art. 17 RWN, waarin een verklaring voor recht wordt verzocht voor het bezit van de Nederlandse nationaliteit, wordt geregeld bezit van staat ingeroepen om de afstamming van een Nederlandse vader vast te doen stellen, waaruit van rechtswege het Nederlanderschap voortvloeit (art. 3 lid 1 RWN). Zo ook in deze zaak van verzoeker.
De bestreden beschikking
In de bestreden beschikking overwoog de rechtbank allereerst dat het huwelijk van de ouders van verzoeker, te Ghana, vanwege het bigame karakter in Nederland niet voor erkenning in aanmerking komt (art. 10:32, aanhef en onder a, BW). Een bigaam huwelijk is in Nederland in strijd met de openbare orde (en ook door het strafrecht verboden). Het voorgaande staat ook in de weg aan erkenning in Nederland van een naar Ghanees recht uit dat bigame huwelijk ontstane familierechtelijke betrekking. Dat betekent dat verzoeker ten tijde van zijn geboorte geen kind is geworden van een Nederlandse vader en toentertijd niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Het verzoek op grond van art. 17 RWN wordt afgewezen.
De rechtbank wijst het verzoek echter wel toe op de grondslag van bezit van staat (art. 1:209 BW). De rechtbank heeft overwogen dat de Ghanese geboorteakte in Nederland kan worden erkend op de voet van art. 10:101 BW, en moet worden getoetst aan de vereisten van art. 1:209 BW. Nu de geboorteakte de Nederlandse vader van verzoeker vermeldt, en verzoeker duurzaam als diens kind heeft deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer (in Ghana), is volgens de rechtbank aan die vereisten voldaan. Hierdoor stamt verzoeker af van een Nederlandse vader en verkrijgt verzoeker het Nederlanderschap, aldus de rechtbank.
In cassatie komt de Staat op tegen deze toewijzing van het Nederlanderschap op grond van bezit van staat.
Bezit van staat biedt geen bescherming
De Hoge Raad overweegt dat de bescherming die art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich in beginsel mede uitstrekt tot aktes die gebrekkig zijn als gevolg van de nietigheid van de daarin vastgelegde rechtshandeling (zie ECLI:NL:HR:2015:186, zie CB 2015-23) (rov. 3.1.2).
Maar de Hoge Raad oordeelt dat de bescherming van art. 1:209 BW zich niet uitstrekt tot een door de geboorte ontstane familierechtelijke betrekking (de afstammingsrelatie) die voortvloeit uit een huwelijk die kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (10:32 BW). Zo biedt bezit van staat geen bescherming aan een buitenlandse geboorteakte die een familierechtelijke betrekking vastlegt, voortvloeiend uit een huwelijk die in Nederland vanwege het polygame karakter niet kan worden erkend (rov. 3.1.3).
De Hoge Raad oordeelt verder in lijn met eerdere rechtspraak. Als een buitenlands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, die een familierechtelijke betrekking vastlegt, voortvloeit uit een huwelijk dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (art. 10:32 BW), stuit ook de erkenning van dat rechtsfeit of die rechtshandeling af op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, aanhef en onder c, BW (zie ECLI:NL:HR:2017:942, CB 2017-101). De Hoge Raad voegt daaraan toe (rov. 3.1.3):
“[..] Zoals de Hoge Raad eerder heeft beslist, staat het stelsel van de RWN eraan in de weg dat een kind dat is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, ingevolge art. 3 lid 1 RWN uitsluitend op grond van zijn door dat huwelijk bepaalde afstamming op enig tijdstip van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt.6 Dit wordt niet anders door een beroep op art. 1:209 BW.”
Het cassatiemiddel slaagt. De overige klachten behoeven volgens de Hoge Raad geen behandeling. De Hoge Raad laat zich, net als A-G Vlas in zijn conclusie en aanvullende conclusie, niet uit over de vragen die zien op de positie van het leerstuk ‘bezit van staat’ in verhouding tot het internationaal privaatrecht. Daardoor blijft onduidelijk of art. 1:209 BW kan worden beschouwd als een voorrangsregel in de zin van art. 10:7 BW.
Omdat het middel slaagt, dient het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep te worden behandeld. Het incidentele beroep betoogde dat de categorische niet-erkenning van een (bigaam) huwelijk dat ten grondslag ligt aan een geboorteakte op grond van art. 10:32 BW, in strijd is met art. 8 EVRM. De Hoge Raad verwerpt het incidentele beroep zonder inhoudelijke motivering (art. 81 lid 1 RO).
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug naar dezelfde rechtbank. Dit oordeel van de Hoge Raad is tegengesteld aan de conclusie van A-G Vlas.
De Staat is in deze cassatieprocedure bijgestaan door Sikke Kingma en Giel Wind.