HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942

Indien een kind is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, staat het stelsel van de Rijkswet op het Nederlanderschap eraan in de weg dat het kind ingevolge art. 3 lid 1 van de Rijkswet uitsluitend op grond van zijn afstamming op enig tijdstip van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt.

Achtergrond

Als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarig kind heeft een Nederlandse man zich tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek vast te stellen dat zijn kind de Nederlandse nationaliteit bezit. De man heeft daartoe een Marokkaanse geboorteakte overgelegd waarop hij is vermeld als vader van het kind. Het kind, van Marokkaanse nationaliteit, is geboren staande zijn huwelijk met een tweede, Marokkaanse vrouw. Op het moment dat de man het verzoek bij de rechtbank indient is zijn eerste huwelijk inmiddels ontbonden.

De vragen van de rechtbank

De rechtbank Den Haag heeft de Hoge Raad de volgende vragen voorgelegd:

  1. Dient bij de beoordeling van de vraag of een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking in Nederland kan worden erkend (artikelen 10:100 en 10:101 BW en het voorheen in dit verband vigerende ongeschreven recht), eerst de voorvraag gesteld te worden of de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding (in casu het huwelijk van de ouders) in Nederland kan worden erkend?
  2. In hoeverre spelen artikel 10:9 BW (de fait accompli-exceptie) en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, Trb. 1990, 170 (IVRK) hierbij een rol?
  3. Als de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, brengt dan het feit dat het (oorspronkelijk bigame) huwelijk inmiddels wordt erkend omdat het eerdere huwelijk na het ontstaan van de familierechtelijke betrekking is ontbonden (zie artikel 11 lid 2 van het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, Trb. 1987,137), met zich dat ook de uit het (oorspronkelijk bigame) huwelijk ontstane familierechtelijke betrekking met terugwerkende kracht tot de geboorte moet worden erkend, al dan niet in het licht van artikel 3 IVRK?
  4. Als de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, staat het bepaalde in artikel 2 lid 1 RWN dan in de weg aan de verkrijging van het Nederlanderschap door het kind? Speelt hierbij een rol of in de periode tussen het ontstaan van de familierechtelijke betrekking en het wegvallen van het beletsel voor de erkenning van deze familierechtelijke betrekking al dan niet een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan over het bestaan van de familierechtelijke betrekking en/of het Nederlanderschap?

De antwoorden van de Hoge Raad

In het kader van de eerste vraag constateert de Hoge Raad dat de uitschakeling van het conflictenrecht in het kader van de (niet)erkenning hier te lande van buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen meebrengt dat, indien in het kader van de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in de art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW de vraag rijst of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, deze vraag niet moet worden beantwoord door toepassing te geven aan de art. 10:4 BW en 10:33 BW. Dat laat onverlet dat bij de erkenning van buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten en rechtsverhoudingen op de voet van de art. 10:100-101 BW toepassing moet worden gegeven aan de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW.

Nu het begrip “openbare orde” in art. 10:100 lid 1 onderdeel c niet nader is ingevuld en 10:101 lid 2 slechts drie specifieke gevallen noemt waarin erkenning in ieder geval in strijd is met de openbare orde, zoekt de Hoge Raad aansluiting bij andere bepalingen in boek 10 waarin aan het  begrip “openbare orde” invulling wordt gegeven. Daartoe behoort ook art. 10:32 BW, waarin is bepaald dat aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning wordt onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Deze bepaling is in een wet van 17 oktober 2015, Stb. 354 aangescherpt door in onderdeel a te bepalen, voor zover hier van belang, dat aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning in ieder geval wordt onthouden indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk reeds gehuwd was met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk is ontbonden of nietig verklaard.

Dit een en ander is voor de Hoge Raad grond om te aanvaarden dat indien een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij een familierechtelijke betrekking is vastgesteld of gewijzigd, voortvloeit uit een buiten Nederland gesloten huwelijk waaraan erkenning wordt onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van art. 10:32 BW, (ook) de erkenning van dat rechtsfeit of die rechtshandeling afstuit op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW.

Wat betreft de tweede vraag antwoordt de Hoge Raad allereerst dat, nu het conflictenrecht is uitgeschakeld, aan art. 10:9 BW (de fait accompli-exceptie) geen betekenis toekomt. Art. 3 IVRK is verder geen grond voor een andere beantwoording van de eerste vraag. Daarbij wijst de Hoge Raad erop dat de eerste vraag uitsluitend van belang is voor de vraag of van rechtswege bij geboorte het Nederlanderschap is verkregen, en in de tweede plaats dat de weigering van erkenning geen inbreuk maakt op de volgens buitenlands recht rechtsgeldig tot stand gekomen familierechtelijke betrekking, en evenmin op de verkregen nationaliteit van dat land.

Indien aan een buiten Nederland gesloten huwelijk het polygame karakter is ontvallen en aldus niet langer sprake is van een beletsel als bedoeld in art. 10:32, aanhef en onder a, BW dat in de weg staat aan de erkenning van dat huwelijk, is daardoor ook niet langer sprake van een beletsel als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW dat in de weg staat aan de erkenning van uit zodanig huwelijk voortvloeiende rechtsfeiten en rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd. In het kader van de beantwoording van de derde vraag wijst de Hoge Raad erop dat de vraag met ingang van welk tijdstip rechtsgevolg toekomt aan de erkenning nergens in boek 10 BW wordt beantwoord. Deze vraag laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden. Het zal aankomen op de inhoud en de strekking van de wettelijke bepaling(en) en de daardoor in het leven geroepen rechtgevolgen, met het oog waarop de erkenning van dat rechtsfeit of die rechtshandeling plaatsvindt.

Die bepalingen zijn in deze zaak de bepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die aan de orde komen in het antwoord op de vierde vraag. De Hoge Raad overweegt dat in dit geval gevraagd wordt om erkenning van het buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit dat door de geboorte van een kind een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen de vader en het kind, met het oog op de vaststelling dat het kind ingevolge art. 3 lid 1 van de Rijkswet van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. De Hoge Raad overweegt dan:

Blijkens de woorden ‘ten tijde van zijn geboorte’ in art. 3 lid 1 RWN dient de vraag of een kind als gevolg van afstamming (door geboorte) van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, te worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn geboorte. De voor de toepassing van art. 3 lid 1 RWN relevante familierechtelijke betrekking dient derhalve te bestaan op het tijdstip van de geboorte van het kind. Voorts bevat art. 2 lid 1 RWN het uitgangspunt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Dit stelsel van de RWN dient het belang dat vanaf de geboorte van een kind voor alle betrokken personen en de Staat zekerheid bestaat omtrent het mogelijke Nederlanderschap van dat kind op grond van zijn afstamming.

 In het licht van het vorenstaande kan niet worden aanvaard dat een kind dat is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, uitsluitend op grond van zijn afstamming van een Nederlandse vader of moeder van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn geboorte, dan wel met ingang van enig ander tijdstip (zoals het tijdstip waarop het polygame karakter aan dat huwelijk is ontvallen).

 Een andere opvatting zou bovendien tot het onwenselijke gevolg leiden dat feiten die zich (geruime tijd) na de geboorte van een kind voordoen, ertoe leiden dat moet worden aangenomen dat het kind met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn geboorte, dan wel met ingang van enig ander tijdstip, Nederlander is, hetgeen zou meebrengen dat eventuele in de tussentijd geboren afstammelingen van dat kind eveneens Nederlander blijken te zijn.

De Hoge Raad beantwoordt de vierde vraag daarom aldus dat, indien een kind is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, het stelsel van de Rijkswet eraan in de weg staat dat het kind ingevolge art. 3 lid 1 van de Rijkswet uitsluitend op grond van zijn afstamming op enig tijdstip van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt.

De Hoge Raad ziet af van beantwoording van het tweede deel van de vierde vraag over wat als sprake is van een tussentijdse al dan niet onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Uit de stukken blijkt niet dat daarvan in deze zaak sprake is, evenmin is duidelijk op welk type uitspraak de rechtbank doelt.

Dit waren de antwoorden op de vragen als zodanig. In het kader van de beantwoording van de vierde vraag, staat echter nog een opmerkelijke toegift: als het polygame karakter aan het huwelijk is ontvallen, kan volgens de Hoge Raad worden overgegaan tot erkenning door de vader dan wel gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vader met het oog op verkrijging van het Nederlanderschap op de voet van art. 4 van de Rijkswet.

De Staat is in de prejudiciële procedure bijgestaan door de auteur.

Share This