HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62
Aan het afwerende karakter van een beroep op een vernietigingsgrond van art. 4:62 BW doet niet af dat dit beroep is gedaan in de vorm van een vordering in reconventie. Voor toepasselijkheid van de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW is de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend. De uitzondering is niet van toepassing op diegene die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde. Voor de kwalificatie als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW is een BIG-registratie niet vereist.
Feiten
Een aan dementie lijdende weduwnaar krijgt zorg van eiseres, die als zorgverlener werkt bij de thuiszorgorganisatie Icare. Vanaf 2014 verleende zij als eerste verantwoordelijke zijn zorg. Op enig moment tussen 2 januari 2015 en eind maart 2015 heeft eiseres een relatie met de weduwnaar gekregen. In april wordt eiseres vanwege deze relatie ontslagen door Icare. Vervolgens heeft eiseres de zorg voor de weduwnaar volledig op zich genomen. De weduwnaar heeft vervolgens enkele opvolgende testamenten laten opmaken. In 2016 zijn de eiseres en de weduwnaar gehuwd. De weduwnaar overlijdt in 2019.
Omdat eiseres door een omissie niet in het testament als mede-erfgenaam is vermeld, vordert zij een verklaring voor recht dat het testament van de erflater zo moet worden uitgelegd dat daarin zowel de kinderen als de partner tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd, zodat de wettelijke verdeling toepassing kan vinden. De kinderen vorderen in reconventie, voor het geval de vordering in conventie zou worden toegewezen, een verklaring voor recht dat de testamentaire beschikking voor zover deze strekt ten gunste van eiseres, is vernietigd op grond van art. 4:59 BW, althans dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament.
De rechtbank heeft met betrekking tot de vordering in reconventie voor recht verklaard dat eiseres op grond van art. 4:59 lid 1 BW geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament. Dit vonnis heeft het hof bekrachtigd. Eiseres stelt nog dat de vordering o.g.v. art. 4:54 BW verjaard is, maar dit beroep wordt door het hof verworpen
Verjaringsberoep aanvallend of verwerend?
Met de eerste klacht komt eiseres op tegen de verwerping door het hof van het beroep op verjaring. Volgens eiseres was het beroep van de kinderen op de vernietigingsgrond van art. 4:59 lid 1 BW een aanvallend beroep, nu dit beroep was gedaan in het kader van de reconventionele vordering van de kinderen dat voor recht werd verklaard dat het testament ten gunste van eiseres was vernietigd op grond van art. 4:59 lid 1 BW, althans dat eiseres geen rechten kon ontlenen aan de inhoud van het testament.
Het onderdeel faalt. Volgens de Hoge Raad was de vordering van eiseres in conventie om voor recht te verklaren dat het testament van de erflater van 17 december 2015 zo moet worden uitgelegd dat daarin zowel de kinderen als de partner tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd, erop gericht vastgesteld te krijgen dat eiseres als erfgenaam uit het testament voordeel kon trekken. Deze vordering moet volgens de Hoge Raad worden aangemerkt als een op de rechtshandeling (het testament) steunende vordering als bedoeld in art. 3:51 lid 3 BW. Het beroep van de kinderen op art. 4:59 lid 1 BW in verbinding met art. 4:62 lid 1 BW ter afwering van deze vordering kan volgens de Hoge Raad op grond van art. 3:51 lid 3 BW ‘te allen tijde worden gedaan’, dat wil zeggen zonder dat daaraan verjaring kan worden tegengeworpen.
Aan het afwerende karakter van het beroep op de vernietigingsgrond doet volgens de Hoge Raad niet af dat dit is gedaan in de vorm van een vordering in reconventie en evenmin dat de vordering in conventie, die zag op de uitleg van het testament, en de vordering in reconventie, die zag op de vernietigingsgrond, beide toewijsbaar kunnen zijn.
Dit oordeel strookt volgens de Hoge Raad met de ratio van art. 3:51 lid 3 BW dat, zolang de wederpartij stilzit en geen beroep doet op de vernietigbare rechtshandeling, de andere partij niet het initiatief tot vernietiging van de rechtshandeling behoeft te nemen. Het oordeel van het hof dat de kinderen een beroep kunnen doen op art. 4:59 lid 1 BW ter afwering van de rechtsvordering van eiseres, is dus volgens de Hoge Raad juist.
De uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW
Met onderdeel 2.1 klaagt eiseres dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend is. Volgens eiseres is de hoedanigheid van de begunstigde ten tijde van het overlijden bepalend.
Dit onderdeel faalt. De ratio van art. 4:59 lid 1 BW is volgens de Hoge Raad bescherming van de erflater tegen ongeoorloofde beïnvloeding. De ratio van de in art. 4:60, aanhef en onder b, BW berust volgens de Hoge Raad op de gedachte dat bij die beschikkingen verondersteld mag worden dat de beweegreden tot de bevoordeling was gelegen in de nauwe verwantschap en niet in de functie van de bevoordeelde.
Volgens de Hoge Raad ligt het gezien de ratio van de bepalingen voor de hand om ook de vraag of de uitzondering zich voordoet, te beoordelen naar het moment van testeren. Dat is volgens de Hoge Raad immers het moment waarop de beweegreden van de erflater tot het maken van de beschikking zich voordoet. Het oordeel van het hof is daarom juist.
Met onderdeel 2.2 klaagt eiseres dat het hof heeft miskend dat de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW van overeenkomstige toepassing is op een persoon die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking, althans op een persoon die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking en die daarna met de erflater in het huwelijk treedt en ten tijde van het overlijden van de erflater nog steeds met deze gehuwd is.
Het onderdeel berust volgens de Hoge Raad op een opvatting die geen steun vindt in de tekst of in de parlementaire geschiedenis van art. 4:60, aanhef en onder b, BW.
Alleen BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren?
Met onderdeel 3 klaagt eiseres dat het hof heeft miskend dat uitsluitend BIG-geregistreerde personen zijn aan te merken als beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW.
Ook deze klacht leidt niet tot cassatie. Hoewel registratie in het BIG-register gevolgen heeft voor het mogen voeren van bepaalde beroepstitels en het mogen verrichten van de zogeheten voorbehouden handelingen, is registratie geen voorwaarde voor het mogen uitoefenen van een beroep in de individuele gezondheidszorg. Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of eiseres als beroepsbeoefenaar in de zin van art. 4:59 BW moet worden aangemerkt niet beslissend is of zij BIG-geregistreerd was
Daarnaast klaagt eiseres dat het hof heeft miskend dat art. 4:59 lid 1 BW in ieder geval niet van toepassing is als een niet BIG-geregistreerd persoon in de privésfeer mantelzorg verleend heeft aan de erflater. Deze klacht kan volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het hof had vastgesteld dat eiseres kwalificeerde als beroepsbeoefenaar in de zin van art. 4:59 lid 1 BW, en dus niet als mantelzorger in de privésfeer.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Dat is in lijn met de conclusie van A-G Ibili.