Selecteer een pagina

HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308

Door een vordering van een cliënt te laten verjaren, heeft de advocaat in de onderhavige zaak een beroepsfout gemaakt. De cliënt vordert een schadevergoeding als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. In cassatie staat de bewijslastverdeling ter discussie.

Feiten en procesverloop

Aanleiding voor deze procedure vormt de verwoesting van een pand als gevolg van een brand. De onderhuurder van het pand zou zich schuldig hebben gemaakt aan hennepteelt. De eigenaresse van het pand heeft een advocaat ingeschakeld om de door de brand veroorzaakte schade te verhalen op de onderhuurder. De advocaat heeft een conceptdagvaarding opgesteld, maar heeft de dagvaarding nooit uitgebracht. De vordering op de onderhuurder is vervolgens verjaard. Daaropvolgend is de eigenaresse van het pand een civiele procedure tegen de advocaat (en zijn maat in de maatschap) gestart. Zij vordert een verklaring voor recht dat de advocaten toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade en de nog te lijden schade. Daarnaast vordert de eigenaresse een vergoeding van de sloop- en herbouwkosten van het pand. De advocaten hebben zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een beroepsfout maar de eigenaresse geen schade heeft geleden als gevolg van die fout, omdat een procedure tegen de onderhuurder kansloos zou zijn geweest. De rechtbank heeft de advocaten daarin gevolgd en de vorderingen van de eigenaresse afgewezen.

Het Hof heeft de vorderingen daarentegen toegewezen. Volgens het Hof zou een procedure tegen de onderhuurder wel degelijk succesvol zijn geweest. Het verweer van de advocaten (in hoger beroep) dat een veroordeling van de onderhuurder hoe dan ook onverhaalbaar zou zijn geweest, heeft het Hof als een zelfstandig verweer aangemerkt en vervolgens afgewezen omdat de advocaten daartoe onvoldoende hadden gesteld. Het Hof heeft zowel een vergoeding van de gemaakte sloop-en herbouwkosten als een vergoeding voor de door de eigenaresse gederfde huurinkomsten toegewezen.

Cassatie

Tegen dat oordeel komen de advocaten in cassatie op. Zij klagen (onder meer) tegen het oordeel van het Hof dat het betoog dat een veroordeling van de onderhuurder onverhaalbaar zou zijn geweest een zelfstandig verweer is. Volgens de advocaten vormt dit een betwisting van het causale verband en is dit geen zelfstandig verweer. De Hoge Raad acht de klacht gegrond. De vordering tot schadevergoeding van de eigenaresse is gebaseerd op art. 6:74 BW. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv dient de eigenaresse de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen dat de door haar geleden schade het gevolg is van de tekortkoming van de advocaten. Het betoog van de advocaten dat de schade niet op de onderhuurder had kunnen worden verhaald, kom erop neer dat ook zonder beroepsfout de eigenaresse de door haar gestelde schade had geleden. Dit is een betwisting van het causale verband tussen de tekortkoming en de gevorderde schade. Het oordeel van het Hof dat dit betoog een zelfstandig verweer is en dat om die reden de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de verhaalbaarheid van de schade op de advocaten rust, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Daarnaast werd in cassatie door de advocaten geklaagd dat het Hof de schadebeperkingsplicht onvoldoende in acht heeft genomen. De advocaten hebben zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de schadebeperkingsplicht meebrengt dat van de eigenaresse mocht worden verwacht dat zij spoedig na de brand tot herbouw van het pand zou zijn overgegaan en dat de advocaten daarom op grond van art. 6:101 BW niet gehouden zijn het gevorderde schadebedrag aan huurderving volledig te vergoeden. De Hoge Raad overweegt dat dit wel een zelfstandig verweer van de advocaten betreft, zodat ten aanzien van dit punt de stelplicht en bewijslast op de advocaten rust. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de eigenaresse voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij geen financiële middelen had om het pand direct te herbouwen. Tegenover die betwisting hebben de advocaten hun stelling niet nader gemotiveerd, zodat het oordeel van het Hof op dit punt niet rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. De klacht van de advocaten op dit punt acht de Hoge Raad dan ook ongegrond.

Nu een van de klachten van de advocaten gegrond is, heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This