Selecteer een pagina

HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1243

Op grond van art. 23 Fw verliest een schuldenaar door faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn vermogen. In faillissement kan de schuldenaar nog wel in rechte optreden, maar een verweerder kan in dat geval op grond van art. 23 en art. 25 lid 1 Fw een beroep doen op de niet-ontvankelijkheid van de schuldenaar. Dat beroep moet voor het einde van het faillissement worden gedaan. Daarna komt verweerder geen beroep meer toe op niet-ontvankelijkheid van de schuldenaar.

Achtergrond

Eiser in deze zaak was, voordat hij de inleidende dagvaarding liet uitbrengen, failliet verklaard. Dat faillissement is kort daarna, nog voor aanbrengen, geëindigd. In hoger beroep (dus na het eindigen van het faillissement) heeft verweerder in deze zaak zich voor het eerst beroepen op de niet-ontvankelijkheid van eiser op grond van art. 25 lid 1 Fw. Op grond van die bepaling moeten rechtsvorderingen die betrekking hebben op rechten van de failliete boedel door de curator – en dus niet door de gefailleerde zelf – worden ingesteld. Het Hof heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid toegewezen.

Cassatie

Eiser is tegen dat oordeel in cassatie opgekomen en klaagt dat het Hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij op het moment dat het beroep op niet-ontvankelijkheid werd gedaan niet meer in staat van faillissement verkeerde. Bij de beoordeling van de klacht stelt de Hoge Raad voorop dat een schuldenaar door een faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen verliest (zie art. 23 Fw). Op grond van art. 68 lid 1 Fw is met ingang van de dag van de faillietverklaring de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Daarom moeten gedurende het faillissement rechtsvorderingen die rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben die tot de failliete boedel behoren, door of tegen de curator worden ingesteld.

Dit betekent echter niet dat de schuldenaar door zijn faillissement de bevoegdheid verliest om in rechte op te treden. Hij kan op grond van art. 25 lid 2 Fw nog wel in rechte optreden, maar de verweerder kan in dat geval een beroep doen op de niet-ontvankelijkheid van de schuldenaar (ex art. 23 en art. 25 lid 1 Fw). Dat beroep kan slechts worden gedaan zolang het faillissement van de schuldenaar voortduurt. Als het faillissement eindigt zijn art. 23 en 25 lid 1 Fw niet meer van toepassing en herkrijgt de schuldenaar de beschikking over zijn vermogen.

In deze zaak stond vast dat op het moment dat een beroep werd gedaan op de niet-ontvankelijkheid het faillissement van eiser al was geëindigd. Eiser had op dat moment dus weer de beschikking en het beheer over zijn vermogen en daarmee ook over de door hem ingestelde rechtsvordering. Tegen die achtergrond komt de Hoge Raad in deze zaak tot de slotsom dat aan verweerder vanaf het moment dat het faillissement van eiser was geëindigd, geen beroep meer toekwam op de niet-ontvankelijkheid van eiser. De cassatieklacht van eiser op dit punt acht de Hoge Raad dan ook gegrond. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This