HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139

De op naam van een Stichting beheer derdengelden advocatuur staande bankrekening kan worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening. Deze Stichting is bij uitsluiting bevoegd is tot beheer en beschikking over de kwaliteitsrekening. In de aard van een kwaliteitsrekening ligt besloten dat de Stichting zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling van diens aandeel. Een rechthebbende heeft te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening. Dit geldt ook in geval van een kwaliteitsrekening ten behoeve van slechts twee belanghebbenden die onder elkaar uitsluitende (spiegelbeeldige) voorwaarden tot het saldo gerechtigd zijn.

Inleiding en feiten

Tussen de Ontvanger en een belastingplichtige bestaat een geschil naar aanleiding van een door de Ontvanger ten laste van de belastingplichtige gelegd en uitgewonnen executoriaal derdenbeslag. De Ontvanger is in kort geding veroordeeld tot terugbetaling van het uitgewonnen bedrag. Ingevolge een overeenkomst tussen de Ontvanger en de belastingplichtige heeft de Ontvanger een bedrag van fl 165.000,- gestort op de kwaliteitsrekening van een Stichting derdengelden van een advocatenkantoor. Bij kortgedingvonnis is bepaald dat het bedrag onder de Stichting blijft tot de rechthebbende bekend is. De Stichting maakt daarna het bedrag over aan een andere betrokkene bij dit geschil (aan wie de vordering op de Ontvanger stil was verpand). Vervolgens wordt het vonnis waarin de Ontvanger tot terugbetaling van het uitgewonnen bedrag was veroordeeld vernietigd en verzoekt de Ontvanger de Stichting het bedrag vermeerderd met de daarop gekweekte rente uit te betalen. De Stichting beroept zich op verjaring.

Kwalificatie bankrekening Stichting derdengelden als kwaliteitsrekening

In geschil is onder meer of de door de Stichting derdengelden aangehouden bankrekening kan worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening. Daarover merkt A-G Vlas in zijn conclusie in deze zaak op:

“2.5 (…) Het begrip ‘kwaliteitsrekening’ of ‘derden(geld)rekening’ wordt gebruikt ter aanduiding van een bankrekening ten name van een persoon in een bepaalde kwaliteit die wordt geopend om daarop gelden voor derden te ontvangen. Een onderscheid kan worden gemaakt tussen een bijzondere of speciale kwaliteitsrekening die is geopend ten behoeve van één belanghebbende of een vastomlijnde groep van belanghebbenden, en een algemene of generale kwaliteitsrekening die is geopend ten behoeve van een niet vastomlijnde groep van bestaande en toekomstige belanghebbenden. Met behulp van een kwaliteits- of derdenrekening wordt het vermogen op de kwaliteitsrekening afgescheiden om te voorkomen dat crediteuren van de rekeninghouder, binnen en buiten een faillissement, verhaal kunnen nemen op de bewaarde geldsom. Een vereiste is dat uit de tenaamstelling voortvloeit dat zij wordt aangehouden ten behoeve van een ander.
2.6 De mogelijkheid van het aanhouden van een kwaliteits- of derdenrekening met een afgescheiden vermogen is erkend door de Hoge Raad in het reeds aangehaalde arrest Slis-Stroom [HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752].

Voor notarissen en gerechtsdeurwaarders bestaat een wettelijke regeling van de kwaliteitsrekening (art. 25 Wna en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet); voor advocaten bestaat zo’n wettelijke regeling niet. Wel zijn advocaten volgens de beroepsregels, neergelegd in de Verordening op de advocatuur, verplicht om een stichting derdengelden ter beschikking te hebben. In het ProCall-arrest van 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat overeenkomstige toepassing van art. 25 Wna (en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet) mogelijk is op de rekeningen die door advocaten en accountants worden aangehouden met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden. Dit wordt gerechtvaardigd door de vertrouwenspositie waarin advocaten en accountants, evenals notarissen en gerechtsdeurwaarders, verkeren ten opzichte van derden die aan hen gelden toevertrouwen.

De klacht van de Stichting derdengelden dat voor het aanmerken van de door de Stichting aangehouden bankrekening vereist is dat het kwaliteitskarakter uit de tenaamstelling van de bankrekening blijkt, wordt dan ook door de Hoge Raad verworpen. Doordat de rekening op naam staat van een stichting beheer derdengelden, is kenbaar dat sprake is van een kwaliteitsrekening, aldus de Hoge Raad aan het slot van rov. 3.3.2.

Gemeenschap?

De klacht dat in dit geval geen sprake is van een gemeenschap omdat geen sprake is van een gezamenlijke gerechtigdheid, maar van een alternatieve enkelvoudige en dus (voorwaardelijke) volledige gerechtigdheid, wordt eveneens verworpen. De Hoge Raad benadrukt (in rov. 3.3.3) dat de bankrekening van de Stichting een algemene kwaliteitsrekening is, waarvan het saldo niet alleen toekomt aan de belastingplichtige en/of de Ontvanger, maar aan verschillende cliënten en andere derden gezamenlijk. Het vorderingsrecht ter zake van het saldo van die rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden, waarbij het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de rekening is gestort (vgl. art. 25 lid 3 Wna).

Verjaring?

De Stichting had zich onder meer verweerd met een beroep op verjaring van de vordering van de Ontvanger. Dit beroep was door rechtbank en hof afgewezen. Het hof oordeelde (in rov. 3.6):

“In die situatie, waarin de Stichting geen zelfstandige positie inneemt maar slechts de belangen van de deelgenoten behartigt, is er geen reden om een verzoek aan de Stichting van één van de deelgenoten om tot uitkering van het saldo op de rekening – en dus in feite tot verdeling van de gemeenschap – over te gaan, voor wat betreft de verjaring anders te behandelen dan een vordering tot verdeling van de ene deelgenoot jegens de andere. De Stichting treedt immers ook op namens de andere deelgenoten, zodat een vordering tot verdeling van de gemeenschap ook tot de Stichting gericht kan worden. De regel dat het recht van elke deelgenoot om te allen tijde verdeling te verlangen niet verjaart, zou – in het geval als het onderhavige, waarin de gemeenschap bestaat uit de vordering van de stichting derdengelden op de bank – vrijwel zonder betekenis zijn indien de vordering van de deelgenoten jegens de Stichting om die verdeling te effectueren wel zou verjaren.”

Ook de tegen dit oordeel gerichte klachten van de Stichting worden door de Hoge Raad afgewezen. De Stichting kan worden aangemerkt als lasthebber van de gemeenschap (de gezamenlijke rechthebbenden). In de aard van een kwaliteitsrekening ligt volgens de Hoge Raad besloten dat de Stichting zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling van diens aandeel. Art. 25 lid 4 Wna bepaalt dan ook, overeenkomstig art 3:178 BW (waarin is bepaald dat in beginsel ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen), dat een rechthebbende te allen tijde recht heeft op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening. Met een daarop gerichte vordering tot de Stichting bewerkstelligt een rechthebbende – in zijn verhouding tot de overige gerechtigden – voor zover nodig tevens een (partiële) verdeling van de gemeenschap, aldus de Hoge Raad in rov. 3.4.2.

In rov. 3.4.3 licht de Hoge Raad zijn oordeel nog nader toe:

“Opmerking verdient nog dat ook in een geval waarin sprake is van een kwaliteitsrekening ten behoeve van slechts twee belanghebbenden die onder elkaar uitsluitende (spiegelbeeldige) voorwaarden tot het saldo gerechtigd zijn, overeenkomstige toepassing van art. 25 Wna mogelijk is. Ook dan brengt de aard van de kwaliteitsrekening derhalve mee dat degene die de rechthebbende blijkt te zijn, op de voet van (de overeenkomstige toepassing van) art. 25 lid 4 Wna te allen tijde aanspraak kan maken op uitbetaling van het saldo, zodat hem geen verjaring kan worden tegengeworpen.”

Share This