Alle berichten met de tag: enqueterecht


HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:316 (MHS/Bab c.s.)

Het door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek hoeft niet beperkt te blijven tot de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken die de ondernemingskamer ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Het staat de ondernemingskamer vrij de onderzoeker op te dragen of toe te staan om ook andere bezwaren in zijn onderzoek te betrekken. Dit strookt met de grote mate van vrijheid die de ondernemingskamer toekomt bij het bepalen van de omvang van een door  haar te bevelen onderzoek. Wel geldt in dit verband de voorwaarde dat die andere te onderzoeken bezwaren voldoende samenhang vertonen met de bezwaren die ten grondslag zijn gelegd aan het oordeel dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Of voldoende samenhang in deze zin bestaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

(meer…)

HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 (Bab al-Mustaqbal Real Estate Co. / Cordial N.V. c.s.)

(1) Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Dit geldt ook voor het aannemen van rechtsverwerking ter zake van de bevoegdheid een enquête te verzoeken. (2) De regel dat een aandeelhouder die niet langer voldoet aan de kapitaalseis bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek geldt niet slechts indien dit verzoek ‘binnen een redelijke termijn’ of ‘met bekwame spoed’ is ingediend. (3) De vervaltermijn van zes maanden in art. 2:21 lid 4 BWC (en in Nederland de vervaltermijn van een jaar in art. 2:15 lid 5 BW) geldt niet voor een verzoek in een enquêteprocedure dat mede strekt tot vernietiging van besluiten van een rechtspersoon.  (meer…)

HR 4 november 2016 – ECLI:NL:HR:2016:2456 en ECLI:NL:HR:2016:2518

In het onderhavige geval is er aanleiding om te oordelen dat de strekking van het enquêterecht meebrengt verzoekers bevoegd te achten in hun enquêteverzoek, nu de omstandigheid dat niet meer wordt voldaan aan de kapitaalseis (art. 2:346 lid 1 BW) verband houdt met gebeurtenissen die de aandeelhouder niet heeft kunnen verhinderen, terwijl een onderzoek wordt verzocht juist naar het beleid en de gang van zaken die ertoe hebben geleid dat niet meer aan de kapitaalseis wordt voldaan. (meer…)

Conclusie A-G 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:536 en ECLI:NL:PHR:2016:537

In de enquêteprocedure inzake SNS Reaal adviseert Advocaat-Generaal Timmerman tot instandlating van de uitspraak van de Ondernemingskamer, waarbij de oud-aandeelhouders van SNS Reaal bevoegd werden geacht tot het indienen van een enquêteverzoek, ondanks het gegeven dat zij niet meer voldoen aan de wettelijke kapitaalseis. (meer…)

HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1651 en ECLI:NL:HR:2014:1652 (Novero)

(1) Voor het al dan niet treffen van onmiddellijke voorzieningen ex art. 2:349a BW geldt geen ander beoordelingskader indien nog geen onderzoeker is benoemd (maar wel reeds een onderzoek is bevolen). (2) Indien de OK een tijdelijke bestuurder of commissaris heeft benoemd, is het niet aan de OK, maar aan die tijdelijke bestuurder of commissaris om binnen de grenzen van zijn taken en bevoegdheden te beoordelen of bepaalde maatregelen binnen of door de rechtspersoon moeten worden getroffen. (meer…)