HR 4 november 2016 – ECLI:NL:HR:2016:2456 en ECLI:NL:HR:2016:2518

In het onderhavige geval is er aanleiding om te oordelen dat de strekking van het enquêterecht meebrengt verzoekers bevoegd te achten in hun enquêteverzoek, nu de omstandigheid dat niet meer wordt voldaan aan de kapitaalseis (art. 2:346 lid 1 BW) verband houdt met gebeurtenissen die de aandeelhouder niet heeft kunnen verhinderen, terwijl een onderzoek wordt verzocht juist naar het beleid en de gang van zaken die ertoe hebben geleid dat niet meer aan de kapitaalseis wordt voldaan.

De Ondernemingskamer in het gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2015 dat VEB c.s., als onteigende aandeelhouders, ontvankelijk zijn in hun verzoek van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij SNS Reaal. Van die beschikking zijn de Staat en de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI) als belanghebbenden tussentijds in cassatie gegaan. De Hoge Raad heeft in de hier te bespreken beschikking het oordeel van de Ondernemingskamer in stand gelaten.

Achtergrond

Op 1 februari 2013 onteigende de Minister van Financiën, onder meer, de aandelen in SNS Reaal op grond van de aan hem in deel 6 van de Wft gegeven bevoegdheid (art. 6:2 Wft). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 25 februari 2013 het onder meer door VEB c.s. tegen het besluit van de Minister tot onteigening ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarmee staat vast dat het besluit tot onteigening zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als wat betreft de inhoud rechtmatig is en bovendien in rechte niet meer aantastbaar is.

In 2015 hebben VEB c.s. als voormalige aandeelhouders van SNS Reaal bij de Ondernemingskamer in de het gerechtshof Amsterdam een verzoekschrift ingediend waarin zij hebben verzocht om, kort gezegd, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij SNS Reaal. In deze zaak gaat het om de vraag of VEB c.s., die toen zij het verzoek deden geen aandelen meer hielden in SNS Reaal ten gevolge van de onteigening van die aandelen, desondanks ontvankelijk zijn in dat verzoek.

Ondernemingskamer: VEB c.s. ontvankelijk

De Ondernemingskamer oordeelde dat doel en strekking van het enquêterecht met zich meebrengen dat aandeelhouders die niet langer voldoen aan de kapitaalseis van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c, BW ten gevolge van een gebeurtenis, waaromtrent zij stellen dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken van de betrokken vennootschap en waarop hun verzoek betrekking heeft, in een geval als het onderhavige bevoegd kunnen zijn tot het indienen van een zodanig verzoek. Daarbij heeft de Ondernemingskamer ook in aanmerking genomen dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van aandeelhouders tegen onjuist beleid dat hun (rechts)positie zodanig ondermijnt, dat dit leidt tot een door hen ongewenst verlies van hun hoedanigheid als aandeelhouder. Dit is niet anders nu dit verlies van aandeelhouderschap ten gevolge van de onteigening onomkeerbaar is:

“3.18 De Ondernemingskamer overweegt het volgende. Doel en strekking van het enquêterecht brengen mee dat aandeelhouders die niet langer voldoen aan de kapitaaleis van artikel 2:346 lid 1 aanhef en sub c BW ten gevolge van een gebeurtenis, waaromtrent zij stellen dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken van de betrokken vennootschap en waarop hun enquêteverzoek mede betrekking heeft, in gevallen als het onderhavige bevoegd kunnen zijn tot het indienen van zodanig verzoek. De Ondernemingskamer neemt voorts in aanmerking dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van aandeelhouders tegen onjuist beleid dat hun (rechts)positie zodanig ondermijnt, dat een door hen ongewenst verlies van hun hoedanigheid van aandeelhouder het gevolg is. Dat is niet anders nu dat verlies – anders dan in gevallen waarin het verlies van aandeelhouderschap het gevolg is van besluitvorming die kan worden teruggedraaid – ten gevolge van de Onteigening onomkeerbaar is. Dit leidt tot het oordeel dat in het onderhavige geval aan VEB c.s. in beginsel, behoudens de hierna te behandelen verweren, de bevoegdheid tot het doen van het in 1.2 vermelde verzoek toekomt. De door VEB c.s. aan hun verzoek ten grondslag gelegde redenen voor twijfel aan een juist beleid van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize hebben immers in belangrijke mate betrekking op – kort samengevat – de oorzaken van de Onteigening, in het bijzonder het beleid en de gang van zaken rond de Onteigening en de betrokkenheid van SNS Reaal, haar bestuur en haar raad van commissarissen daarbij. Hetzelfde geldt voor Stichting Beheer.”

De Ondernemingskamer oordeelde ook dat de omstandigheid dat onteigening op grond van de Interventiewet er de oorzaak van is dat niet langer wordt voldaan aan de kapitaalseis, geen beletsel vormt om VEB c.s. enquêtebevoegd te achten. De Ondernemingskamer overwoog daartoe onder meer:

“3.23 De Ondernemingskamer neemt tot uitgangspunt dat met de Interventiewet niet wordt beoogd meer rechten en bevoegdheden aan te tasten of aan onteigende aandeelhouders te ontnemen dan strikt noodzakelijk is voor het doel waartoe in de Interventiewet de mogelijkheid tot onteigening is gegeven.

3.24 Met betrekking tot het doel van de Interventiewet hebben SNS Reaal c.s. betoogd dat de Minister, teneinde een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de stabiliteit van het financiële stelsel te neutraliseren, de financiële onderneming dient te stabiliseren en te reorganiseren. Daarmee is onverenigbaar dat onteigende aandeelhouders de enquêtebevoegdheid zouden behouden, aldus SNS Reaal c.s. De Ondernemingskamer volgt SNS Reaal c.s. daarin niet. Niet valt immers in te zien dat de (uitoefening van de) bevoegdheid van onteigende aandeelhouders om een enquête te verzoeken de Minister, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van SNS Reaal of anderszins, in zijn streven de onderneming te stabiliseren en te reorganiseren zou belemmeren, althans zo ernstig zou belemmeren, dat het zou opwegen tegen het recht om een enquête te verzoeken. De vraag of een daadwerkelijke enquête een zodanige belemmering zou opleveren staat daar los van; die vraag dient – bij gebleken gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen – te worden betrokken in de afweging die aan toe- of afwijzing van een enquêteverzoek voorafgaat.”

Hoge Raad laat oordeel OK in stand

In cassatie heeft de Hoge Raad het oordeel van de Ondernemingskamer in stand gelaten. Daartoe overweegt de Hoge Raad onder meer dat de onteigening het gevolg is van de positie waarin SNS Reaal verkeerde, en dat die positie niet los kan worden gezien van het daaraan voorafgaande beleid van SNS Reaal. Daarom is voor de ontvankelijkheid in dit geval voldoende dat de verzoeker stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken met betrekking tot de aan de onteigening voorafgaande periode. De Hoge Raad overweegt onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking in de zaak Slotervaart onder meer:

“3.5.2 In de Slotervaartbeschikking is geoordeeld dat de strekking van het enquêterecht meebrengt dat een aandeelhouder of certificaathouder die als gevolg van een uitgifte van (certificaten van) aandelen niet langer voldoet aan de kapitaalseis, bevoegd is tot het indienen van een verzoek om een enquête in te stellen, mits het verzoek (mede) betrekking heeft op een onderzoek naar die uitgifte en de verzoeker stelt dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij die uitgifte. Het enquêterecht strekt immers mede ter bescherming van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid, aldus deze beschikking.

(…)

3.5.4 De zaak die aan de orde was in de Slotervaartbeschikking en de onderhavige hebben met elkaar gemeen dat in beide gevallen de omstandigheid dat niet meer wordt voldaan aan de kapitaalseis verband houdt met gebeurtenissen die de aandeelhouder niet heeft kunnen verhinderen, terwijl een onderzoek wordt verzocht juist naar het beleid en de gang van zaken die ertoe hebben geleid dat niet meer aan de kapitaalseis wordt voldaan. In zoverre is er aanleiding om ook voor het onderhavige geval te oordelen dat de strekking van het enquêterecht meebrengt de verzoekers bevoegd te achten tot het indienen van een enquêteverzoek. Daaraan staat niet in de weg dat in het onderhavige geval – anders dan in de zaak waarop de Slotervaartbeschikking betrekking had – de hoedanigheid van aandeelhouder voor verzoekers geheel verloren is gegaan.”

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het verband tussen enerzijds het beleid en de gang van zaken in de onderneming en anderzijds het niet meer voldoen aan de kapitaalseis in deze zaak minder direct is dan in de zaak waarop de Slotervaartbeschikking betrekking had. In deze zaak is de directe oorzaak voor het niet meer voldoen aan de kapitaalseis immers niet gelegen in een handeling van de rechtspersoon, maar in de handeling van een derde (de onteigening door de Staat). Dit verschil is echter niet zodanig, aldus de Hoge Raad, dat dit aan de ontvankelijkheid in deze zaak in de weg staat:

“3.5.5 … De onteigening is immers gevolg van de positie waarin SNS Reaal op 1 februari 2013 verkeerde, en die positie kan niet los worden gezien van het daaraan voorafgaande beleid binnen SNS Reaal. Daarom is voor de ontvankelijkheid in het onderhavige geval voldoende dat de verzoeker stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken met betrekking tot de aan de onteigening voorafgaande periode. “

Daarbij is ook nog van belang dat de onteigening ertoe strekt een faillissement van SNS Reaal te voorkomen, en dat in geval van faillissement de aandeelhouders ontvankelijk zouden zijn geweest in hun enquêteverzoek (waarbij de Hoge Raad verwijst naar zijn beschikkingen in de zaken Ogem en KPNQwest). Dit draagt bij aan het oordeel dat de onteigening niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid. Daaraan doet niet af dat de onteigende aandeelhouders recht hebben op schadeloosstelling voor het verlies van hun aandelen, nu de hoogte daarvan in negatieve zin kan zijn beïnvloed door het beleid en de gang van zaken in de periode die aan de onteigening voorafgingen (rov. 3.5.6). De Hoge Raad resumeert zijn overwegingen als volgt:

“3.5.7 Het bovenstaande betekent niet een uitbreiding van de limitatieve opsomming in de wet van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. Het betreft daarentegen – evenals bij de hiervoor in 3.5.2 weergegeven regel die in de Slotervaartbeschikking is geformuleerd – een uitleg van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW in het licht van de strekking van het enquêterecht. Aan een zodanige uitleg staat niet in de weg dat de wetgever bij de herziening van het enquêterecht per 1 januari 2013 (Stb. 2012, 274 en 305) de voorwaarden voor het bestaan van de bevoegdheid tot het verzoeken van een enquête heeft aangescherpt (zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 5-6, p. 6-7, p. 17 en p. 27).”

Ook de Interventiewet staat aan de ontvankelijkheid van het verzoek niet in de weg, nu uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever onteigende aandeelhouders enquêtebevoegdheid na de onteigening heeft willen onthouden. De Hoge Raad gaat ook voorbij aan de bezwaren van de Staat en NLFI die betrekking hebben op de mogelijke negatieve gevolgen van een enquête: deze dienen volgens de Hoge Raad geen rol te spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag, maar komen aan de orde bij de vraag of het verzoek moet worden toegewezen:

“3.7 (…) Deze bezwaren van de Staat c.s., die doelen op specifieke negatieve gevolgen van een enquête die volgt op een onteigening ingevolge de Wft, dienen geen rol te spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag. Zij dienen aan de orde te komen bij de beantwoording van de vraag of de verzoeken dienen te worden toegewezen, zoals de ondernemingskamer terecht heeft geoordeeld in de slotzin van rov. 3.24. In dat verband dient immers een belangenafweging plaats te vinden, waarbij – indien het verzoek niet reeds wordt afgewezen omdat wordt geoordeeld dat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen – de bezwaren die een enquête voor de onderneming oplevert worden meegewogen (vgl. HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, NJ 2006/173 (Unilever)).

In de te maken belangenafweging kunnen ook andere door de Staat c.s. aangevoerde bezwaren worden betrokken, zoals de enquêtekosten, de verstreken tijd tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek (vgl. HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2646, NJ 1997/188 (Wijsmuller)), en de vraag naar de reikwijdte van een eventueel te gelasten enquête. Ook dit zijn factoren die bij de vraag naar ontvankelijkheid geen rol dienen te spelen.”

Nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat VEB c.s. ontvankelijk zijn in hun enquêteverzoek zal de Ondernemingskamer moeten beoordelen of het verzoek kan worden toegewezen, waarbij dus ook de door de Staat c.s. aangevoerde bezwaren kunnen worden betrokken.

Ook SNS c.s. hadden cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de Ondernemingskamer. De Hoge Raad verwerpt dat beroep (zie hier voor die beschikking) onder verwijzing naar de gronden vermeld in de hier besproken zaak.

Hans van Wijk heeft de Staat en NLFI bijgestaan in cassatie.

Share This