Selecteer een pagina

HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:323

(1) Voor een wijziging van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op de voet van art. 8:12 Wvggz geldt – evenals voor het verlenen van de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel – dat de rechter deze slechts kan uitspreken indien op het moment van zijn uitspraak aan de in art. 7:1 lid 1 Wvggz genoemde voorwaarden is voldaan. Bij de beoordeling of aan die voorwaarden is voldaan, dient de rechter de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene in aanmerking te nemen.

(2) In een geval waarin de verzochte machtiging betrekking heeft op het separeren van een minderjarige, dient de rechter ambtshalve te beoordelen of aanvullende zorgvuldigheidseisen moeten worden gesteld bij het toepassen van deze vorm van verplichte zorg, dan wel of daaraan beperkingen in duur moeten worden gesteld of dat minder ingrijpende vormen van insluiten dan separeren kunnen worden toegepast. De rechter dient in zijn motivering ervan blijk te geven dat hij deze beoordeling heeft uitgevoerd.

Aanleiding

In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van een minderjarige een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verleend. Daarbij heeft de rechtbank het verzoek afgewezen voor zover het betrekking had op “insluiten” als vorm van verplichte zorg, en voor het overige toegewezen. Wanneer het gedrag van de minderjarige daar enige dagen later toch aanleiding toe geeft, beslist de zorgverantwoordelijke op grond van art. 8:11 Wvggz alsnog tot een (tijdelijke) toepassing van het insluiten. De officier van justitie verzoekt de rechtbank op de voet van art. 8:12 Wvggz vervolgens de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel aldus te wijzigen, dat insluiten als vorm van verplichte zorg hieraan wordt toegevoegd.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit verzoek verklaart de behandelend psychiater dat er wordt getwijfeld of het gedrag van de minderjarige voortkomt uit een psychische stoornis en dat er geen sprake is van een psychische stoornis in de zin van de wet. De advocaat van de minderjarige stelt zich op het standpunt dat wijziging van de machtiging tot voorzetting van de crisismaatregel niet mogelijk is, omdat geen sprake is van (kort gezegd) het door art. 7:1 lid 1 Wvggz vereiste ernstig vermoeden van een psychische stoornis en er achteraf bezien dus geen grond was voor de crisismaatregel.

De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank ligt de primaire beslissing tot voortzetting van de crisismaatregel in de onderhavige procedure niet voor en is voor toetsing van de rechtmatigheid hiervan een andere wettelijke voorziening voorhanden. Omdat wel is gebleken van een noodsituatie als bedoeld in art. 8:11 Wvggz, wijst de rechtbank het verzoek tot wijziging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel toe.

 Beslissing

In cassatie wordt onder meer geklaagd dat de rechtbank het verzoek niet had mogen toewijzen, aangezien geen sprake was van een vermoeden van een psychische stoornis. Deze klacht slaagt.

De Hoge Raad overweegt dat voor een wijziging van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op de voet van art. 8:12 Wvggz geldt – evenals voor het verlenen van de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel – dat de rechter deze slechts kan uitspreken indien op het moment van zijn uitspraak aan de in art. 7:1 lid 1 Wvggz genoemde voorwaarden is voldaan. Bij de beoordeling of aan die voorwaarden is voldaan, dient de rechter de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene in aanmerking te nemen.

De cassatieklachten stellen daarnaast de bijzondere regel aan de orde die in art. 2:1 lid 9 Wvggz is opgenomen met het oog op kinderen en jeugdigen. Die bepaling schrijft kort gezegd voor dat bij verplichte zorg bij kinderen en jeugdigen zo nodig aanvullende zorgvuldigheidseisen worden gesteld, en verder dat steeds de mogelijk nadelige effecten die de verplichte zorg op lange termijn op hen heeft in de beoordeling moeten worden betrokken. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank zich hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Ook deze klacht slaagt.

De Hoge Raad overweegt dat met art. 2:1 lid 9 Wvggz is beoogd de positie van kinderen en jeugdigen in de verplichte geestelijke gezondheidszorg te verbeteren. Daarbij heeft de wetgever in het bijzonder de aandacht gevestigd op en zorgen geuit over de effecten van separeren als vorm van verplichte zorg bij kinderen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter die een verzoek beoordeelt tot verlening van een machtiging voor verplichte zorg, moet nagaan of de extra zorgvuldigheidseisen en uitgangspunten van art. 2:1 Wvggz in acht zijn genomen.

Uit een en ander volgt, aldus de Hoge Raad, dat de rechter in een geval als dit, waarin de verzochte machtiging betrekking heeft op het separeren van een minderjarige, ambtshalve dient te beoordelen of aanvullende zorgvuldigheidseisen moeten worden gesteld bij het toepassen van deze vorm van verplichte zorg, dan wel of daaraan beperkingen in duur moeten worden gesteld of dat minder ingrijpende vormen van insluiten dan separeren kunnen worden toegepast. De rechter dient in zijn motivering ervan blijk te geven dat hij deze beoordeling heeft uitgevoerd.

 Afdoening

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst het geding terug naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Deze beslissing is in lijn met de conclusie van A-G Coenraad.

Share This

Cassatieblog.nl