Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:454
Uit het systeem van de Wvggz volgt, mede gelet op art. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM, dat geen zorgmachtiging mag worden verleend als de medische verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen. De zorgmachtiging mag in dat geval ook niet worden verleend voor een kortere periode dan de door de officier van justitie verzochte periode.
Achtergrond
In deze Wvggz-zaak is een verzoek gedaan tot het verlenen van een zorgmachtiging voor een periode van zes maanden. Ter zitting kwam naar voren dat de betrokkene niet in persoon is beoordeeld voor de (gebruikelijke) medische verklaring. Volgens de psychiater zijn de pogingen om in contact te komen met de betrokkene op niets uitgelopen. Ook heeft de betrokkene aan de casemanagers verteld dat zij een groot slagersmes bij de voordeur heeft liggen om de buurman te kunnen steken als hij haar woning probeert binnen te komen. Iedereen die bij haar aanbelt loopt een risico, aldus de psychiater. Bovendien is het volgens de psychiater niet te verwachten dat het alsnog lukt om betrokkene te spreken.
De rechtbank stelt vast dat slechts één aangekondigde poging is gedaan om betrokkene te spreken. Hierdoor bestaat volgens de rechtbank een gebrek in de medische verklaring. De rechtbank acht het noodzakelijk om toch een zorgmachtiging te verlenen gelet op het ernstig nadeel (voor betrokkene en anderen). Vanwege een gebrek in de medische verklaring wordt echter een machtiging toegewezen voor zes weken in plaats van de gevorderde zes maanden. Zo kan de betrokkene alsnog in persoon worden onderzocht en de noodzakelijke zorg worden geboden.
Tegen dit oordeel komt de betrokkene in cassatie op. Het middel klaagt onder meer dat de rechtbank geen zorgmachtiging mocht verlenen nu de rechtbank in diezelfde beschikking heeft vastgesteld dat de medische verklaring gebrekkig was.
Geen zorgmachtiging
De Hoge Raad bevestigt de eerdere rechtspraak waaruit volgt dat een zorgmachtiging niet mag worden verleend als de medische verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen. Dit volgt uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, mede gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. De Hoge Raad overweegt (rov. 3.2):
“Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de medische verklaring een gebrek bevat, kennelijk op de grond dat de psychiater de betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht en daartoe evenmin voldoende pogingen heeft gedaan, had de rechtbank de zorgmachtiging niet mogen verlenen, ook niet voor een kortere periode dan de officier van justitie heeft verzocht.”
Hierbij verwijst de Hoge Raad naar de toepasselijke maatstaf voor het medisch onderzoek van de psychiater (ECLI:NL:HR:2024:789, rov. 3.3 zie CB 2024-93). Volgens de hoofdregel dient de psychiater het medisch onderzoek te verrichten in direct contact met de betrokkene, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, te spreken en te observeren. Dit is slechts anders als dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Dan zal steeds op de best mogelijke manier moeten worden geprobeerd inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel.
Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank echter kennelijk geoordeeld dat de psychiater de betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht en daartoe ook niet voldoende pogingen heeft gedaan.
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en doet de zaak zelf af. Hij wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van zes maanden af. Dit oordeel is in lijn met de conclusie van A-G B.J. Drijber.