Selecteer een pagina

Het overzicht van prejudiciële zaken vermeldt weer een aantal nieuwe civiele zaken waarin op grond van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. De vragen zien op (1) toepasselijkheid van het in art. 128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel op de vereffening van een nalatenschap (2) vraag of bij art. 7:417 lid 4 BW ook van toepassing is op de korte termijn verhuur van vakantieaccommodaties (onlineplatform Airbnb)  (3) vraag over consumentenrecht en (pre)contractuele informatieverplichtingen en (4) uitleg van het criterium ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder uit het Nellestein-arrest van de HR uit 2012.

Toepasselijkheid van het fixatiebeginsel van art. 128 Fw op de vereffening van een nalatenschap

Met het stellen van prejudiciële vragen beoogt de rechtbank Noord-Holland duidelijkheid te verkrijgen over toepasselijkheid van het in art.128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel op de vereffening van een nalatenschap. Dient daarbij onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenaamde ‘zware’ en de ‘lichte’ vereffening? Met andere woorden, is het fixatiebeginsel ook van toepassing op erfgenaam-vereffenaars op wie de verplichtingen omschreven in art. 4:218 BW niet rusten? Zo ja, met ingang van welke datum moeten de rentevorderingen in dat geval worden gefixeerd?

Is art. 7:417 lid 4 BW van toepassing is op kortetermijnverhuur van vakantieaccommodaties (Airbnb)?

De rechtbank Rotterdam legt prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad in de Airbnb kwestie of  art. 7:417 lid 4 BW van toepassing is op kortetermijnverhuur van vakantieaccommodaties, zoals die worden aangeboden op een online platform als dat van Airbnb. Is er sprake van tweezijdige bemiddeling en is Airbnb gerechtigd om zowel bij de gebruiker als bij de aanbieder van accommodatie bemiddelingskosten in rekening te brengen? Is er sprake van overtreding van de Richtlijn Oneerlijke bedingen in consumentenzaken (Richtlijn 93/13/EEG)?

Sanctionering van (pre)contractuele informatieverplichtingen (art. 6:230m BW) en de toetsing van draagkracht (art. 6:230u BW) bij consumentenovereenkomsten

De rechtbank Amsterdam heeft zich tot de Hoge Raad gewend met vragen over de rechterlijke controle en sanctionering van (pre)contractuele informatieverplichtingen (art. 6:230m BW) en de toetsing van de draagkracht (art. 6:230u BW) bij consumentenovereenkomsten. Moet de kantonrechter ook zonder dat daarnaar in de stellingen is verwezen in bijgevoegde stukken actief op zoek naar het antwoord op de vraag welke informatieverplichtingen van toepassing zijn en of er inderdaad aan die verplichtingen is voldaan?

Criterium ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ bij de toepassing van art. 7:264 lid 1 BW en toepasselijkheid bij geliberaliseerde en niet-geliberaliseerde huur

De rechtbank Amsterdam stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad met betrekking tot uitleg van het criterium gegeven in het Nellestein-arrest (HR 6 april 2012, zie CB 2012-75) van ‘geen of verwaarloosbare tegenprestatie’ bij de toepassing van art. 7:264 lid 1 BW. Is er sprake van ‘geen of verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder indien door de verrichtingen waarvoor kosten in rekening worden gebracht uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder worden gediend? Geldt het voor zowel geliberaliseerde als niet geliberaliseerde huurprijzen?

Share This