Selecteer een pagina

Dossier: Personen- en familierecht


HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1594

Voor het bepalen of de rechter rechtsmacht heeft op grond van art. 7 lid 1 Brussel II-ter (voorheen art. 8 lid 1 Brussel II-bis) is van belang de woonplaats van het kind op het tijdstip dat het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend. Dit inleidende stuk is het stuk waarvan de betekening of mededeling de verweerder in staat stelt zijn rechten te doen gelden voordat de rechter een uitvoerbare beslissing geeft. Daarvan was in dit geval pas sprake toen de vader, voor het eerst in zijn verzoekschrift in hoger beroep, verzocht om de moeder te veroordelen om met de minderjarige terug te verhuizen naar Nederland. (meer…)

HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1596 (moeder/man)

Als een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv. (meer…)

HR 4 oktober 2024 ECLI:NL:HR:2024:1370

De kring van personen die geacht kunnen worden rechtstreeks bij de vaststelling van het ouderschap te zijn betrokken, beperkt zich tot de moeder, het kind en degene van wie verzocht wordt het ouderschap vast te stellen; buiten deze kring vallende personen zijn niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv. (meer…)

HR 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1027

Dit arrest van de Hoge Raad gaat over geldleningen die zijn aangegaan door de ene echtgenoot. Is de andere echtgenoot daarvoor hoofdelijk aansprakelijk? En welke verjaringstermijn is van toepassing op vorderingen tegen die echtgenoot? (meer…)

HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:148

In het geval van kunstmatige bevruchting wordt met ‘een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad’ (art. 1:204 lid 4 BW) het hele traject van kunstmatige bevruchting bedoeld, en niet de enkele bevruchting van de eicellen en/of de terugplaatsing van het embryo. Dat betekent dat van ‘instemming als levensgezel’ (vereist voor vervangende toestemming bij erkenning) pas sprake is als de levensgezel en de moeder samen gekozen hebben voor het traject van kunstmatige bevruchting. (meer…)

HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1079

Een gecertificeerde instelling is in een zaak op de voet van art. 1:253n BW (beëindiging gezamenlijk gezag) die ziet op een onder toezicht gesteld kind, geen belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. (meer…)

Cassatieblog.nl