Selecteer een pagina

HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1851

Bij de beoordeling van een verzoek van een (beweerde) verwekker om de wettelijke ouders van een kind te gelasten mee te werken aan een DNA-onderzoek moeten de belangen van alle betrokkenen en de bijzonderheden van het concrete geval in acht worden genomen. 

Achtergrond van de zaak

In deze procedure staan tegenover elkaar: enerzijds de vrouw die tijdens haar huwelijk is bevallen van een kind, samen met haar echtgenoot die van rechtswege geldt als de vader, en anderzijds een man die stelt de verwekker van dit kind te zijn.

De man beoogt in deze procedure niet het wettelijke vaderschap van de echtgenoot aan te tasten en zelf het kind te erkennen. Zijn verzoeken strekken ertoe dat hij regelmatig contact met en informatie over het kind verkrijgt. Om die doelen te bereiken, verzoekt hij eveneens om de ouders, die zijn biologische vaderschap betwisten, te gelasten om medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek.

De rechtbank heeft de verzoeken van de man afgewezen. Het hof heeft de beschikking bekrachtigd. Daarbij heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de man geen recht heeft op vaststelling van zijn biologisch vaderschap. Het hof is daarom niet aan een belangenafweging toegekomen.

De man stelt cassatieberoep in.

De wettelijke regelingen van de afstamming en van het omgangsrecht

In zijn arrest geeft de Hoge Raad eerst een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen, zoals deze in het licht van de rechtspraak van het EHRM moeten worden geïnterpreteerd.

De Hoge Raad stelt voorop dat de echtgenoot op de voet van art. 1:199, aanhef en onder a, BW wordt aangemerkt als de vader van het kind. Op grond van art. 1:207 BW kan het vaderschap van de verwekker gerechtelijk worden vastgesteld, hetzij op verzoek van de moeder (totdat het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt) hetzij op verzoek van het kind. De wet biedt degene die stelt de verwekker te zijn niet een dergelijke ‘vaderschapsactie’. Dat is niet in strijd met art. 8 EVRM omdat dit volgens de rechtspraak van het EHRM binnen de margin of appreciation van de verdragsstaten valt (zie rov. 3.2).

De wet biedt degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind echter wél de mogelijkheid om de rechter te verzoeken om een omgangsregeling vast te stellen (art. 1:377a lid 2 BW). Een nauwe persoonlijke betrekking bestaat volgens de Hoge Raad niet reeds op grond van de biologische verwantschap tussen het kind en de verwekker. Een verzoek van de verwekker van een kind die niet tevens ouder van het kind is, om omgang te mogen hebben, is slechts toewijsbaar indien er bijkomende feiten en omstandigheden zijn, aan de hand waarvan een nauwe persoonlijke betrekking kan worden vastgesteld (rov. 3.4).

Belangenafweging steeds vereist

Wat betekent dit alles voor de beoordeling van verzoeken om omgang met en informatie over het kind, en om het gelasten van medewerking aan een DNA-onderzoek, zoals in deze zaak aan de orde?

De kernvraag is volgens de Hoge Raad of omgang tussen de man en het kind of het verstrekken van informatie over het kind aan de man, in het belang van het kind is. De beantwoording van deze vraag vergt een afweging van de belangen van alle betrokkenen en van de bijzonderheden van het concrete geval. Daarbij moet in het bijzonder worden meegewogen het belang van het kind om een band op te bouwen met zijn biologische vader en het risico van verstoring van het gezinsleven van het kind met zijn wettelijke ouders. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar de rechtspraak van het EHRM over art. 8 EVRM (rov. 3.5-3.6).

Deze belangenafweging kan tot de conclusie leiden dat, ervan uitgaande dat de man de verwekker is van het kind, het belang van het kind gediend is met omgang met de man en het verstrekken van informatie aan de man. Dan kan de rechter op de voet van art. 194-200 Rv een DNA-onderzoek gelasten, in het bijzonder als op grond van de gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de man de verwekker van het kind kan zijn (zie eveneens rov. 3.6). Dat kon al in het kader van een ‘vaderschapsactie’, maar kan dus ook in het kader van een verzoek om een omgangsregeling (zie eerder HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7204). Als het belang van het kind echter niet gediend is met omgang met de man of het verstrekken van informatie aan de man, óók niet als deze de verwekker zou zijn, dan is een DNA-onderzoek niet toewijsbaar (rov. 3.6).

Afdoening

Het hof heeft ten onrechte het verzoek om medewerking aan een DNA-onderzoek afgewezen zonder de hiervóór bedoelde afweging van belangen te maken. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. Dat had A-G Langemeijer eerder ook geconcludeerd.

Share This