Selecteer een pagina

HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677

Deze prejudiciële beslissing gaat over de vragen of de rechter bij een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte ambtshalve moet onderzoeken of is voldaan aan de wettelijke informatieplichten van de handelaar tegenover de consument, en of de rechter ambtshalve een sanctie moet verbinden aan het niet-voldaan zijn aan een of meer van die plichten, en zo ja, welke.

Aanleiding voor deze beslissing zijn de prejudiciële vragen die kantonrechters uit Leeuwarden en Amsterdam hebben gesteld in twee verstekzaken tegen consumenten. Voor een bespreking van de achtergronden van deze zaken en van het wettelijk kader wordt verwezen naar de conclusies van plv. P-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2021:757 en ECLI:NL:PHR:2021:758).

Hierna wordt eerst aandacht besteed aan de informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten, aan de rechtsgevolgen van niet-naleving van deze informatieplichten, en aan de rechtspraak over ambtshalve toetsing van consumentenrecht. Daarna wordt de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad besproken.

De informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten

De prejudiciële beslissing gaat over de informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten. Deze richtlijn ziet in beginsel op alle overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. In het bijzonder regelt de richtlijn de overeenkomsten op afstand en de buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomsten, die voorheen door afzonderlijke richtlijnen werden beheerst.

De Richtlijn consumentenrechten bevat veel informatieplichten over veel verschillende onderwerpen. Deze informatieplichten zijn geïmplementeerd in art. 6:230m lid 1 BW. Een handelaar moet een consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over onder meer de voornaamste kenmerken van de zaken of diensten, over de totale prijs van deze zaken of diensten, en over de wijze van betaling, levering en uitvoering. In art. 6:230v BW zijn specifiek voor overeenkomsten op afstand nadere regels opgenomen over de wijze en het moment waarop de handelaar deze informatie moet verstrekken.

Rechtsgevolgen van niet-naleving van deze informatieplichten

De wet verbindt verschillende rechtsgevolgen aan de niet-naleving van deze informatieplichten.

Allereerst zijn er de specifieke rechtsgevolgen die in de Richtlijn consumentenrechten worden benoemd en die in het BW zijn overgenomen. Het niet verstrekken van bepaalde informatie kan ertoe leiden dat de consument bepaalde kosten niet hoeft te dragen (art. 6:230k lid 2 BW; art. 6:230n lid 3 BW; art. 6:230s leden 2 en 5 BW), dat de ontbindingstermijn van 14 dagen wordt verlengd totdat de informatie wel is verstrekt (art. 6:230o lid 1 BW), dat de consument niet aansprakelijk is voor de waardevermindering van de zaak (art. 6:230s lid 3 BW) en dat de overeenkomst wordt vernietigd (art. 6:230v lid 3 BW).

Bepaalde informatie wordt daarnaast als essentiële informatie aangemerkt in de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, die in Nederland in de sfeer van de onrechtmatige daad is geïmplementeerd (art. 6:193f, aanhef en onder b, BW). Laat de handelaar deze essentiële informatie weg, dan is sprake van een misleidende omissie en daarmee van een oneerlijke handelspraktijk (art. 6:193d BW). Een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, is bovendien vernietigbaar. Deze sanctie is door de Nederlandse wetgever op eigen initiatief aan het arsenaal toegevoegd (art. 6:193j BW) en wordt inmiddels ook door de Moderniseringsrichtlijn voorgeschreven.

De consument kan verder een beroep doen op de algemene bepalingen van het BW, die door de Richtlijn consumentenrechten onverlet worden gelaten (art. 3 lid 5). Te denken valt onder meer aan nakoming, opschorting, ontbinding wegens tekortkoming, schadevergoeding (en verrekening), vernietiging wegens strijd met een dwingende wetsbepaling (art. 3:40 lid 2 BW) en aan vernietiging wegens een wilsgebrek, zoals dwaling. De Richtlijn consumentenrechten bepaalt dat deze sancties “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moeten zijn (art. 24 lid 1).

Eerdere rechtspraak over ambtshalve toetsing

In deze zaak staat de vraag centraal of de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan de informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten is voldaan en, in het verlengde daarvan, of de rechter ambtshalve gevolgen mag of moet verbinden aan de constatering dat niet aan een of meer van die informatieplichten is voldaan.

Dat is geen geheel nieuwe vraag. Weliswaar is ambtshalve toetsing van bepalingen van de Richtlijn consumentenrechten nog niet aan de orde geweest in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Maar het is inmiddels vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de nationale rechter in bepaalde gevallen consumentenbeschermende bepalingen van richtlijnen van de Unie ambtshalve moet toepassen, ook als dat in strijd zou zijn met bepalingen van nationaal recht.

De Hoge Raad heeft deze lijn al eens ‘doorgetrokken’ naar Nederlandse regels die geen implementatie vormen van een Unierechtelijke richtlijn. In een zaak over ambtshalve toetsing van de Richtlijn consumentenkrediet oordeelde hij dat de rechter óók ambtshalve moet nagaan of is voldaan aan de regels omtrent koop op afbetaling, die geen Unierechtelijke wortels hebben. Redengevend was dat de beide regelingen in de praktijk vrijwel steeds zullen samenlopen, zodat met het oog op de hanteerbaarheid eenzelfde benaderingswijze kan worden gevolgd (ECLI:NL:HR:2016:236, waarover CB 2016-33).

Beantwoording van de prejudiciële vragen

In deze prejudiciële beslissing stelt de Hoge Raad voorop dat de Richtlijn consumentenrechten de rechter niet ertoe verplicht ambtshalve na te gaan of aan alle informatieplichten is voldaan en bij elke schending van een informatieplicht ambtshalve over te gaan tot toepassing van een sanctie. Volgens de Hoge Raad hebben de lidstaten een zekere beoordelingsmarge bij de keuze van nationale maatregelen die nodig zijn om de Richtlijn consumentenrechten te implementeren (rov. 3.1.8). Dat volgt ook uit de Richtlijn consumentenrechten zelf, want die laat de toepassing van sancties over aan het nationale recht en stelt slechts de algemene eis dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (rov. 3.1.9).

Tegen deze achtergrond maakt de Hoge Raad een onderscheid tussen (i) de informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke rechtsgevolgen verbindt, (ii) de essentiële informatieplichten en (iii) de overige informatieplichten. Ambtshalve toetsing is volgens hem slechts aan de orde bij de onder (i) en (ii) bedoelde informatieplichten. De onder (iii) bedoelde overige informatieplichten moeten worden gehandhaafd door de consument zelf, of door collectieve belangenorganisaties of publiekrechtelijke toezichthouders (rov. 3.1.9).

Met betrekking tot categorie (i) overweegt de Hoge Raad dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of uit de stellingen van de handelaar en de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat de informatieplichten zijn nageleefd en, bij ontkennende beantwoording, de in de wet aan schending van de desbetreffende verplichting verbonden sanctie moet toepassen (rov. 3.1.10).

Met betrekking tot categorie (ii) overweegt de Hoge Raad, in lijn met zijn eerdere rechtspraak over ambtshalve toetsing van de regels over koop op afbetaling, dat de rechter ook gehouden kan zijn om de overeenkomst ambtshalve geheel of gedeeltelijk te vernietigen op grond van art. 3:40 lid 2 BW, indien sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten. De Hoge Raad noemt ook enkele aanknopingspunten die de wet biedt om te komen tot een gedeeltelijke vernietiging, die volgens hem ook kan bestaan in een gedeeltelijke vermindering van de verplichtingen (rov. 3.1.15), en bespreekt de situatie dat sprake is van samenloop van categorie (i) en categorie (ii) (rov. 3.1.16).

Eveneens in lijn met eerdere rechtspraak is de overweging dat de rechter de verschenen partij(en) in de gelegenheid moet stellen zich uit te laten over de (gehele of gedeeltelijke) vernietiging van hun overeenkomst. De Hoge Raad voegt daar nu aan toe dat als de consument niet in de procedure is verschenen, de rechter slechts kan overgaan tot gedeeltelijke vernietiging  (rov. 3.1.18). Hij beveelt aan dat daarvoor uniforme niet-bindende richtlijnen worden opgesteld en geeft met het oog daarop enkele handvatten (rov. 3.19).

Ten behoeve van de rechtspraktijk geeft de Hoge Raad vervolgens een overzicht van de informatieplichten waaraan de rechter ambtshalve moet toetsen, met de daarbij behorende sancties (rov. 3.1.20).

Ten slotte gaat de Hoge Raad nog kort in op enkele andere kwesties. Opvallend is vooral dat de Hoge Raad afziet van de beantwoording van een vraag over art. 6:230v lid 1 BW omdat over de uitleg de uitleg van de onderliggende richtlijnbepaling prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie (rov. 3.3), en dat de Hoge Raad niet wil weten van ambtshalve toetsing van de draagkracht van de consument op grond van art. 6:230u BW. Deze laatste bepaling is niet uit het Unierecht afkomstig en is naar Nederlands recht niet van openbare orde. Ook overigens bestaat volgens de Hoge Raad geen grond voor een plicht tot ambtshalve toetsing eraan (rov. 3.6). Daarmee is duidelijk dat de plicht tot ambtshalve toepassing, buiten gevallen van openbare orde, voorlopig beperkt blijft tot consumentenbeschermende regels van Unierecht en tot de nationale bepalingen die met die Unierechtelijke regels samenlopen.

Conclusie

In deze prejudiciële beslissing oordeelt de Hoge Raad dat de rechter, zowel in procedures op tegenspraak als in verstekprocedures, ambtshalve moet onderzoeken of aan bepaalde informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten is voldaan. Heeft de handelaar deze informatieplichten niet nageleefd, dan moet de rechter de sanctie toepassen waarin de wet voorziet. Voorziet de wet niet in een specifieke sanctie, dan komt van de algemene sancties uit het BW alleen de (gedeeltelijke) vernietiging voor ambtshalve toepassing in aanmerking, en alleen bij een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten. De handhaving van de overige consumentenbeschermende bepalingen wordt overgelaten aan de consument zelf, en aan collectieve belangenorganisaties en publiekrechtelijke toezichthouders.

Share This