Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Vermelding all-in prijs bij telefoonabonnement inclusief toestel volstaat niet

CB 2016-33 Geplaatst op 18 februari 2016 door

HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 (Lindorff/A)

(1) Art. 7:61 lid 2 BW en 7A:1576 lid 2 BW vereisen dat bij een telefoonabonnement inclusief toestel in de overeenkomst de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon afzonderlijk wordt bepaald. (2) De rechter dient ambtshalve te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan, en kan zo nodig ook ambtshalve de overeenkomst vernietigen of oordelen dat deze geen rechtsgevolg heeft. (3) In geval van een nietige of vernietigde overeenkomst mag de consument in beginsel volstaan met teruggave van het toestel in de staat waarin dit zich op het moment van de teruggave bevindt, zonder een gebruiksvergoeding verschuldigd te zijn.

Achtergrond

In het arrest Lindorff/Statia uit 2014 oordeelde de Hoge Raad dat een “telefoonabonnement inclusief toestel” in beginsel wordt beheerst door de wettelijke regels inzake consumentenkrediet (art. 7:57 e.v. BW) en koop op afbetaling (art. 7A:1576 e.v. BW), tenzij de aanbieder stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat de door de consument verschuldigde abonnementskosten niet (mede) strekken tot afbetaling van de telefoon (CB 2014-113). Deze beslissing heeft vervolgvragen doen rijzen met betrekking tot de op telefoonaanbieders rustende informatieplichten, en de rechtsgevolgen van schending daarvan. Deze vervolgvragen beantwoordt de Hoge Raad in de onderhavige prejudiciële beslissing.

Voldoet vermelding van een all-in prijs aan de wet?

Allereerst beantwoordt de Hoge Raad de vraag of de aanbieder van een telefoonabonnement inclusief toestel kan volstaan met de vermelding van een zogenaamde “all-in prijs” voor abonnement, mobiele telefoon en kredietkosten tezamen. Het antwoord luidt ontkennend (r.o. 3.6), conform de conclusie van A-G Wissink (sub 4.15).

Voor wat betreft het consumentenkrediet volgt dat uit art. 7:61 lid 2 onder e BW, waarin is bepaald dat in de kredietovereenkomst het goed ter financiering waarvan het krediet strekt en de contante prijs daarvan moeten worden vermeld. Voor telefoonabonnementen inclusief toestel is dat (dus) de koopprijs van de telefoon. Slechts met deze informatie, tezamen met de overige te vermelden gegevens zoals het jaarlijkse kostenpercentage (art. 7:61 lid 2 onder h BW), is de consument in staat een weloverwogen beslissing te nemen ter zake van het krediet voor de verkrijging van de mobiele telefoon, zo overweegt de Hoge Raad (r.o. 3.4.2) met referte aan de beschermingsstrekking van de achterliggende Richtlijn consumentenkrediet (r.o. 3.4.1).

Een koop op afbetaling is ingevolge art. 7A:1576 lid 2 BW “niet van kracht” voordat partijen de door de koper te betalen prijs hebben bepaald. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van deze bepaling overweegt de Hoge Raad dat, ter bescherming van het belang van de koper, duidelijk moet zijn wat de koopprijs van de door hem gekochte zaak is, en dat die prijs (daarom) in de overeenkomst afzonderlijk moet zijn bepaald. Nu uit een all-in prijs zonder specificatie van de afzonderlijke kostenposten niet valt af te leiden wat de prijs is van de mobiele telefoon, is daarmee niet voldaan aan art. 7A:1576 lid 2 BW (r.o. 3.5).

Ambtshalve toetsing door de rechter?

Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad de sanctionering van het niet-melden van de koopprijs voor de mobiele telefoon, in het bijzonder indien – zoals vaak en ook in dit geval – de consument niet in rechte verschijnt (of geen hierop toegespitst verweer voert). Ambtshalve toetsing kan dan uitkomst bieden, zo oordeelt de Hoge Raad in navolging van A-G Wissink (conclusie, sub 5.26).

Wat betreft het consumentenkrediet leidt de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:61 lid 2 BW af dat in geval van een schending daarvan onder meer vernietiging op de voet van art. 3:40 lid 2 BW mogelijk is (r.o. 3.7.2-3.7.3). Vervolgens wijst hij op de rechtspraak van het HvJEU over de ambtshalve toepassing van Europees consumentenrecht, die in het teken staat van de verzekering van een “effectieve bescherming van de consument” (r.o. 3.8.1-3.8.2). Tegen deze achtergrond concludeert de Hoge Raad dat de rechter, indien het telefoonabonnement een consumentenkrediet inhoudt,[1] ambtshalve dient te beoordelen of partijen hebben voldaan aan art. 7:61 lid 2 BW, en zo nodig de kredietovereenkomst ook ambtshalve kan (dus niet: moet) vernietigen. Een en ander geldt ook indien tegen de consument verstek is verleend, mits de rechter de beginselen van hoor in wederhoor in acht neemt en met dien verstande dat de rechter geen vernietiging tegen de wil van de consument kan uitspreken (r.o. 3.9).

Wat betreft de koop op afstand geldt ingevolge art. 7A:1576 lid 2 BW als gezegd dat deze “niet van kracht” is, indien de door de koper te betalen prijs niet in de overeenkomst is bepaald. Onder verwijzing naar de beschermingsstrekking van dit artikel overweegt de Hoge Raad dat (ook hier) de rechter zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of aan art. 7A:1576 lid 2 BW is voldaan, en zo nodig ambtshalve kan[2] oordelen dat de koop op afbetaling (dus) geen rechtsgevolg heeft (r.o. 3.11.1). Aldus kiest de Hoge Raad voor “eenzelfde benaderingswijze” als bij het consumentenkrediet, wat hij nader motiveert met de overweging dat dit – gegeven het feit dat bij een telefoonabonnement inclusief toestel beide regelingen in de praktijk steeds naast elkaar van toepassing zullen zijn – “de hanteerbaarheid van de onderhavige regels ten goede komt” (r.o. 3.11.2).

Gelet op de meergenoemde beschermingsstrekking kan volgens de Hoge Raad “als regel niet gezegd worden” dat nietigheid of vernietiging van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook niet voor zover de consument dientengevolge de beschikking heeft gehad over een mobiele telefoon “zonder dat hij daarvoor iets hoeft te betalen” (r.o. 3.13).

Afwikkeling (ver)nietig(d)e overeenkomst: vergoeding verschuldigd?

Ten slotte gaat de Hoge Raad in op de afwikkeling van de nietige of vernietigde overeenkomst, en meer concreet op de verplichtingen die op de consument rusten ten aanzien van het toestel in de situatie dat de overeenkomst niet van kracht of vernietigd is wegens schending van de op de aanbieder rustende informatieplichten.

De Hoge Raad stelt voorop dat er zich op dit punt “velerlei feitelijke variaties” kunnen voordoen, zodat in het kader van de beantwoording van de desbetreffende prejudiciële vraag moet worden volstaan met “enkele hoofdlijnen” (r.o. 3.14). Deze hoofdlijnen luiden als volgt (zie in gelijke zin de conclusie van A-G Wissink, sub 7.29).

  • Geen vergoeding waardevermindering De consument die ingevolge art. 6:203 BW gehouden is tot teruggave van het toestel, mag in beginsel volstaan met teruggave van het toestel in de staat waarin dit zich op het moment van de teruggave bevindt, zonder dat hij verplicht is tot vergoeding van de waardevermindering die het toestel sinds de ontvangst ervan heeft ondergaan (r.o. 3.15.1).
  • Schadevergoeding wegens onvoldoende zorg Wel dient de consument ingevolge art. 6:204 lid 1 BW vanaf het moment waarop hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave rekening moet houden, als een “zorgvuldig schuldenaar” voor het toestel zorg te dragen. Dat moment ligt niet reeds op het moment van de ontvangst van het toestel, nu de consument niet geacht kan worden te weten dat de aanbieder niet aan de uit art. 7:61 lid 2 BW of 7A:1576 lid 2 BW voortvloeiende eisen heeft voldaan (r.o. 3.15.1).
  • Schadevergoeding wegens niet-teruggave Voor een eventuele verplichting tot schadevergoeding wegens niet-teruggave van het toestel is ingevolge art. 6:74 lid 2 BW verzuim van de consument en dus in de regel een ingebrekestelling van de zijde van de aanbieder vereist (r.o. 3.15.2).
  • Restitutie onverschuldigd betaalde koopsom Op zijn beurt zal de aanbieder ook moeten teruggeven wat hij op grond van de niet tot stand gekomen of vernietigde overeenkomst heeft ontvangen. Het gaat dan om het gedeelte van de door de consument betaalde maandtermijnen dat bestemd was voor de voldoening van de koopsom c.q. de aflossing van het krediet, inclusief de daarmee verband houdende kosten. Een en ander komt in mindering op de vordering van de aanbieder. In geval van verstek kan de rechter deze vermindering ingevolge art. 139 Rv ook ambtshalve toetsen, in het kader van de beoordeling of de vordering hem “onrechtmatig of ongegrond voorkomt” (r.o. 3.15.3).
  • Geen vergoeding voor genot Dan resteert nog de vraag of de consument gehouden is een vergoeding te betalen voor het genot dat hij van het toestel heeft gehad. Volgens de Hoge Raad bieden art. 6:203 lid 3, 6:210 en 6:278 BW hiervoor geen grondslag, omdat de aanbieder op zijn beurt ook niet het genot, “doch slechts” de eigendom van het toestel dient te verschaffen. Dit laat onverlet dat de consument wel gratis genot heeft gehad van het toestel, ten koste van de aanbieder, zodat de vraag rijst of art. 6:212 BW (inzake ongerechtvaardigde verrijking) een grondslag voor vergoeding biedt. Ook hier houdt de Hoge Raad de boot af: het zou in strijd zijn met “de effectieve bescherming van de consument die door de art. 7:61 en 7A:1576 BW wordt geboden”, indien de consument naast teruggave van het toestel en een eventuele schadevergoeding wegens onvoldoende zorg of niet-teruggave, ook zou moeten betalen voor het genot dat hij van het toestel heeft gehad (r.o. 3.16).

Tot besluit gaat de Hoge Raad nog in op de (beperkte) betekenis van de Richtlijn oneerlijke bedingen in dit verband. Een maandelijkse all-in prijs kwalificeert als kernbeding, zodat in beginsel niet wordt toegekomen aan de vraag of de prijs(bepaling) onredelijk bezwarend is in de zin van de richtlijn. Voorwaarde is wel dat het beding “duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd” (r.o. 3.17). A-G Wissink concludeerde ook op dit punt in gelijke zin (conclusie, sub 8.7).

[1] Vgl. r.o. 3.10, over de mogelijkheid van een door de aanbieder te stellen en aannemelijk te maken “zacht krediet” in de zin van art. 7:58 lid 2 onder e, eerste gedeelte, BW.

[2] R.o. 3.11.1 spreekt over “dient”, maar gelet op r.o. 3.9 in samenhang met r.o. 3.11.2 zal bedoeld zijn dat de rechter ambtshalve kan vernietigen. Vgl. ook de conclusie van A-G Wissink, sub 5.22 en 5.26.

email print