Selecteer een pagina

Alle berichten van: Floor Veldhuis


HR 3 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1223

Eerder oordeelde het HvJEU dat de Peeters/Gatzen-vordering onder het bereik van Brussel I-bis valt. De Hoge Raad beoordeelt in dit arrest waar de plaats is waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (artikel 5, aanhef en onder 3, Brussel I-bis). Meer in het bijzonder beoordeelt de Hoge Raad wat het Erfolgsort is. Het nadeel dat de gezamenlijke schuldeisers hebben geleden, bestaat erin dat het tegoed op de zichtrekening als verhaalsobject is verdwenen. De plaats waar die zichtrekening werd aangehouden, te weten Maasmechelen in België, is de plaats waar de schade aanvankelijk is ingetreden. Uit de door de Hoge Raad genoemde rechtspraak van het HvJEU volgt daarom dat het Erfolgsort in België is gelegen. Het ‘Erfolgsort’ is niet in Nederland gelegen op de enkele grond dat de schuldeisers in Nederland financiële schade hebben geleden. Die schade is immers een gevolg van de aanvankelijk in België ingetreden schade. Daarom is voor bepaling van de internationale bevoegdheid niet van belang of in het onderhavige geval sprake is van andere aanknopingspunten met Nederland of andere bijzondere omstandigheden. (meer…)

HR 29 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:956

Artikel 11 LLMC betreft geen zuivere rechtsmachtbepaling, zodat de rechtsmacht moet berusten op een buiten het LLMC gelegen grondslag. Artikel 11 LLMC brengt wel een beperking aan op de bevoegdheid van de rechter om een verzoek tot fondsvorming in te willigen, doordat het de eis stelt dat in de verdragsstaat van die rechter een rechtsgeding (waaronder valt: een arbitrage procedure) aanhangig wordt gemaakt met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen. In zoverre betreft artikel 11 LLMC een verkapte rechtsmachtbepaling.
De Hoge Raad neemt voorshands aan dat art. 9 Brussel I-bis uitsluitend betrekking heeft op de zelfstandige vordering die de scheepseigenaar instelt tegen degene die een aanspraak pretendeert, en niet op een verzoek tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 642a lid 1 Rv jo. artt. 8:750-759 BW. Bij gegrondbevinding van de klacht bestaat geen belang, omdat de rechtbank Rotterdam bevoegd is op andere gronden. Voor het stellen van prejudiciële vragen bestaat ook geen noodzaak. (meer…)

HR 17 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:717

Voor een geslaagd beroep op bedrog of dwaling is niet beslissend of de onjuiste mededelingen dan wel verzwegen feiten de kern van de overeenkomst betreffen. Beslissend is of de onjuiste voorstelling van zaken waarvan bij bedrog en dwaling sprake is, ertoe heeft geleid dat de partij die zich op het wilsgebrek beroept, een overeenkomst is aangegaan die zij bij een juiste voorstelling van zaken niet, of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. (meer…)

HR 3 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:599

De afstemmingsregel is niet van toepassing als de gevraagde voorziening strekt tot opheffing van een conservatoire maatregel of tot een verbod tot het treffen van een dergelijke maatregel, en de uitspraak van de bodemrecht (over de vordering ter verzekering waarvan de conservatoire maatregel strekt) nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. In een zodanig geval moet een belangenafweging plaatsvinden waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden betrokken. (meer…)

HR 21 februari 2020 ECLI:NL:HR:2020:311

Over de uitleg van het begrip ‘opzet tot misleiding’ in art. 7:941 lid 5 BW had de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten. De Hoge Raad sluit aan bij (de uitleg van) het begrip opzet tot misleiding in art. 7:930 lid 5 BW. Voor opzet tot misleiding als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW moet daarom worden onderzocht of de verzekerde de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die de verzekeraar zonder de schending van de mededelingsplicht niet zou hebben verstrekt.

(meer…)