Selecteer een pagina

HR 18 december 2020 ECLI:NL:HR:2020:2103

Op grond van het volkenrecht geldt voor goederen van een vreemde staat de presumptie van immuniteit, die alleen wijkt als is vastgesteld dat de desbetreffende goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn beoogd voor andere dan publieke doeleinden. Het is aan de schuldeisers of beslaglegger om gegevens aan te dragen aan de hand waarvan een andere dan een publieke bestemming kan worden vastgesteld. Uit deze regels volgt dat immuniteit van executie niet is beperkt tot goederen waarvan de onmiddellijke bestemming een publieke is.

Schuldeisers van de Republiek Kazachstan (hierna: “Kazachstan”) hebben beslag gelegd op aandelen gehouden door Samruk. Samruk is een Kazachs sovereign wealth fund waarvan Kazachstan oprichter en enig aandeelhouder is. Samruk vordert in dit kort geding opheffing van het gelegde beslag en legt daaraan ten grondslag dat schuldeisers geen vorderingen hebben op Samruk, maar uitsluitend op Kazachstan en dat er geen gronden zijn om Samruk met Kazachstan te vereenzelvigen. Voor zover schuldeisers verhaal zouden kunnen nemen op het vermogen van Samruk, doet Samruk een beroep op immuniteit van executie.

De Hoge Raad beperkt zich in dit arrest tot de bespreking van de cassatieklachten die zich richten tegen de overwegingen van het Hof Amsterdam over immuniteit van executie.

Het Hof Amsterdam overwoog dat het aan schuldeisers is om aannemelijk te maken dat niet de uiteindelijke (ultieme), maar de onmiddellijke bestemming van de goederen (hier: de aandelen van Samruk in het fonds) een andere dan een publieke bestemming is. Een andere uitleg van de in dit uitgangspunt vervatte regels zou het – in de woorden van het Hof – voor beslagleggers de facto onmogelijk maken om hun rechten geldend te maken. In het verlengde daarvan oordeelde het hof dat schuldeisers de commerciële bestemming voldoende aannemelijk hebben gemaakt.

Vanuit diezelfde gedachte concludeerde A-G Vlas dat het bestemmingscriterium zo moet worden uitgelegd dat schuldeisers niet aannemelijk hoeven te maken dat de uiteindelijke bestemming niet-publiek is, maar slechts dat de onmiddellijke bestemming van het goed daarvan niet-publiek is.

De Hoge Raad vernietigt – contrair aan deze conclusie – het arrest.

De Hoge Raad herhaalt daarbij in de eerste plaats zijn Herfstarresten (r.o. 3.2.3). Het is in overeenstemming met de – op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte – strekking van de immuniteit van executie om tot uitgangspunt te nemen dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. Dit strookt met art. 19, onderdeel c, VN-Verdrag, dat op dit punt valt aan te merken als een regel van internationaal gewoonterecht. Het past bij deze strekking van de immuniteit van executie dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de door het hof gehanteerde eis dat bepalend is of de onmiddellijke bestemming van de beslagen goederen een andere dan een publieke bestemming is, niet overeenstemt met die regels en daarom blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (r.o. 3.2.4):

Die regels komen erop neer dat op grond van het volkenrecht voor goederen van een vreemde staat een presumptie van immuniteit van executie geldt, die alleen wijkt indien is vastgesteld dat de desbetreffende goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn beoogd voor andere dan publieke doeleinden, en dat het op de weg ligt van de partij die zich beroept op een uitzondering op de immuniteit van executie, om gegevens aan te dragen aan de hand waarvan dat kan worden vastgesteld. Uit deze regels volgt dat immuniteit van executie niet is beperkt tot goederen waarvan de onmiddellijke bestemming een publieke is.”

Volgens de Hoge Raad is ook niet duidelijk waarom, zoals het hof had geoordeeld, als vaststaand kan worden aangenomen dat de door Samruk gehouden aandelen een andere bestemming hebben dan een publieke bestemming (r.o. 3.2.5). Dat de opbrengsten uit de aandelen bestemd zijn de nationale welvaart van Kazachstan te vergroten, wijst aldus de Hoge Raad (onder verwijzing naar een eerder arrest) in beginsel erop dat deze een publieke bestemming hebben.

De Hoge Raad vernietigt en verwijst de zaak ter verdere behandeling door aan het Hof Den Haag. Daar zal onder meer aan de orde komen of de beslagen goederen moeten worden aangemerkt als ‘property’ van de staat Kazachstan als bedoeld in artikel 19, sub c, VN-Verdrag.

In cassatie zijn ook andere oordelen van het hof bestreden, over (i) de vraag of Samruk zich op immuniteit van jurisdictie kan beroepen en (ii) de vraag of Samruk naar Kazachs recht misbruik van recht maakt door zich tegenover schuldeisers te beroepen op haar juridische zelfstandigheid. Deze klachten laat de Hoge Raad onbehandeld, zodat het verwijzingshof zich (ook) daarover kan uitlaten.

Share This