HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371 (N.N. c.s./Staat) en ECLI:NL:HR:2016:2354 (Staat/Servaas)

De Hoge Raad past zijn prejudiciële beslissing van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2236, CB 2016-153) toe in twee reguliere cassatiezaken. Het is aan de schuldeiser die beslag wil leggen op de eigendommen van een vreemde staat om te bewijzen dat die eigendommen vatbaar zijn voor beslag en executie. Dit geldt óók wanneer het staatseigendom een tegoed is dat voor zowel publieke als commerciële doeleinden wordt gebruikt. Een vreemde staat kan ook uitdrukkelijk afstand doen van immuniteit van executie, maar daarvan is in het Energiehandvest geen sprake.

Prejudiciële vraag Staat/MSI

Op de eigendommen van vreemde staten mag niet zomaar in Nederland beslag worden gelegd: in beginsel geldt immuniteit van executie. Daarop bestaan verschillende uitzonderingen. De immuniteit geldt onder meer niet als is vastgesteld dat de eigendommen een niet-publieke bestemming hebben. Twee weken eerder had de Hoge Raad, in antwoord op prejudiciële vragen van de Rechtbank Amsterdam, al bevestigd dat de schuldeiser die beslag wil leggen op staatseigendommen, moet stellen en bewijzen dat de goederen voor beslag vatbaar zijn. Dit geldt ook wanneer de vreemde staat verstek laat gaan. Voor een geslaagd beroep op de uitzondering van een niet-publieke bestemming, zal de schuldeiser die beslag wil leggen dus de gegevens moeten aandragen waaruit blijkt dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor andere dan publieke doeleinden (zie CB 2016-153).

In twee reguliere cassatiezaken stond diezelfde vraag centraal. De prejudiciële vraag heeft deze twee zaken ‘ingehaald’: de tegenstrijdige arresten van het Hof Amsterdam en het Hof Den Haag waartegen cassatie was ingesteld zijn van 7 april 2015 en 17 februari 2015, terwijl de Rechtbank Amsterdam haar prejudiciële vraag pas op 29 februari 2016 stelde. Dat de prejudiciële vraag desondanks eerder werd beantwoord, geeft dus aan dat de Hoge Raad prejudiciële vragen inderdaad conform zijn rolreglement ‘met voortvarendheid’ behandelt.

Staat/Servaas: zelfde presumptie voor ‘mixed funds’

Het Hof Amsterdam had vastgesteld dat er geen aanwijzingen waren dat de goederen een publieke bestemming hebben en dat de vreemde staat (Irak) hierover ook geen verklaring had afgelegd. Daarom zou er volgens het Hof geen grond zijn om a priori uit te gaan van immuniteit van executie. De klacht over dat oordeel van de Staat acht de Hoge Raad gegrond. Zoals de Hoge Raad twee weken eerder had bepaald, moet dat nu juist wel uitgangspunt zijn. Daarnaast komt in dit arrest nog wat nadrukkelijker aan de orde dat, ook als het gaat om gelden en tegoeden die door de vreemde staat voor verschillende (publieke én commerciële) doeleinden worden gebruikt (zogenaamde ‘mixed funds’), de schuldeiser die beslag wil leggen moet stellen en aannemelijk maken dat en in hoeverre de tegoeden een niet-publieke bestemming hebben en dus wel vatbaar zijn voor beslag en executie. De Staat klaagde dus terecht dat het hof had miskend dat als de tegoeden van de vreemde staat als ‘mixed funds’ kunnen worden aangemerkt, de beslaglegger aannemelijk moet maken welk deel van de tegoeden een niet-publieke bestemming heeft. Het arrest wordt vernietigd en het geding wordt verwezen naar het Hof Den Haag.

N.N. c.s./Staat

Het Hof Den Haag oordeelde dat de schuldeiser die beslag wilde leggen (N.N.) onvoldoende feiten had gesteld die erop wijzen dat de beslagobjecten bestemd waren voor andere dan publieke doeleinden. De klacht hiertegen in cassatie faalt. In deze zaak speelde daarnaast nog een andere uitzondering op de immuniteit van executie die erkend is het VN-verdrag over immuniteit (artikelen 18 en 19 sub a), namelijk het geval waarin de vreemde staat zelf uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van immuniteit van executie. N.N. c.s. hadden gesteld dat de vreemde staat dat in onderhavige zaak had gedaan door het Energiehandvest (een verdrag over de integratie van energiemarkten) te ratificeren. A-G Vlas loopt onder 2.16 van zijn conclusie na of uit de twee genoemde artikelen van het Energiehandvest een uitdrukkelijke afstand van immuniteit van executie volgt. Dit is in het Energiehandvest niet te lezen, zo meent hij. Hij citeert wel uit een van de relevante artikelen als volgt:

“Elke Verdragsluitende Partij geeft onverwijld gevolg aan een dergelijke uitspraak en zorgt voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van dergelijke uitspraken op haar grondgebied.”

A-G Vlas merkt hierover op dat deze passage alleen betrekking heeft op tenuitvoerlegging op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij die bij het geschil is betrokken. De bepaling heeft daarom geen betrekking op tenuitvoerlegging op het grondgebied van andere staten. Nu het gaat om tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis tegen een vreemde staat in Nederland, is hier geen sprake van. Hierom acht A-G Vlas de klacht ongegrond. De Hoge Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen van de A-G en verwerpt het beroep.

De Staat werd in cassatie bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland en Hans van Wijk, en in feitelijke instanties door Wemmeke Wisman.

Share This