Alle berichten van: Floor Veldhuis


HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412

Bij opstalaansprakelijkheid is het aanvangsmoment van de lange verjaringstermijn zoals bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW niet gekoppeld aan een schadeveroorzakende gedraging, maar aan de schadeveroorzakende toestand. Zodra de schadeveroorzakende toestand is opgehouden te bestaan, begint de termijn van twintig jaren te lopen. (meer…)

HR 25 januari 2019 ECLI:NL:HR:2019:96

De partij die tussentijds beroep instelt, is gehouden daarin al haar bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenvonnissen aan te voeren en verliest de mogelijkheid dat bij een latere gelegenheid te doen, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.3.2). Dit wordt ook wel de “één keer schieten regel” genoemd. Met dit arrest is nu duidelijk dat die regel ook geldt als het gaat om een appel tegen het tussenvonnis-gedeelte van een deelvonnis (r.o. 3.3.2).  (meer…)

HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54

Deze zaak betreft de vraag of in Nederland de erkenning van het in Rusland uitgesproken faillissement van Yukos (verweersters in cassatie) kan worden geweigerd wegens strijd met de openbare orde. Eerder oordeelde de Hoge Raad (en ook andere rechtbanken en hoven) over andere aspecten van dit faillissement, maar de hoofdvraag over erkenning is nog niet aan de orde gekomen. De kogel is nu door de kerk: het faillissement wordt in Nederland niet erkend.  (meer…)

HR 21-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2422

Een schuldeiser als bedoeld in art. 482, tweede lid Rv, kan zijn vordering ook nog na de in dat artikel bedoelde termijn aanmelden mits hij daarbij een redelijk belang heeft en hij de daardoor veroorzaakte kosten en schade voor zijn rekening neemt en deze tot een door de rechter-commissaris voorlopig te begroten bedrag onverwijld stort bij de bewaarder van de executieopbrengst. Dat geldt tot het moment van sluiting van het proces-verbaal van verdeling en ongeacht of de schuldeiser al eerder een vordering heeft aangemeld. (meer…)

HR 21 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2379

In het geval een verschil zich voordoet tussen Nederlandse en niet-Nederlandse erflaters wat betreft hun bekendheid met en toegang tot een regel van Nederlands huwelijksvermogensrecht, bijvoorbeeld bij de uitsluitingsclausule uit art. 1:94 lid 2 onder a (oud) BW, dan kan een beroep worden gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet. (meer…)