6 februari 2026 ECLI:NL:HR:2026:201
Deze uitspraak gaat over de uitleg van het overgangsrecht in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Deze wet is op 1 januari 2025 in werking getreden. In deze wet is onder andere een nieuwe regeling voor het inzagerecht opgenomen. Omdat het overgangsrecht in deze wet summierlijk geregeld is, zijn in de praktijk vragen over de uitleg van dat overgangsrecht gerezen. Zo speelt de vraag of naar oud of nieuw recht moet worden bepaald of, en zo ja, binnen welke termijn een rechtsmiddel openstaat. In deze uitspraak, beantwoordt de Hoge Raad onder andere die vraag.
Het procesverloop
Verzoekster heeft conservatoir bewijsbeslag gelegd ten laste van Oceanco. Vervolgens heeft verzoekster inzage in de beslagen bescheiden verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. In hoger beroep heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Verzoekster heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof.
In cassatie heeft Oceanco een ontvankelijkheidsincident opgeworpen. Volgens Oceanco heeft verzoekster haar cassatieberoep niet tijdig ingesteld, omdat onder de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht de cassatietermijn voor inzageverzoeken die als voorlopige bewijsverrichting zijn gedaan (art. 196 Rv) acht weken in plaats van de gebruikelijke drie maanden is (art. 200 lid 1 Rv jo. art. 426 lid 2 Rv).
Het overgangsrecht
De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht bevat slechts één overgangsrechtelijke bepaling, te weten art. XIIA, dat als volgt luidt:
“Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.”
In de wetsgeschiedenis bij deze bepaling is toegelicht dat het oude recht van toepassing blijft op alle aanhangige zaken, totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als op of na 1 januari 2025 uitspraak wordt gedaan, dan is op een eventuele volgende instantie na het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing, zo valt daar te lezen.
Dit overgangsrecht beantwoordt niet alle vragen die in de praktijk rijzen. Zo is het de vraag of oud of nieuw recht bepaalt of een rechtsmiddel openstaat en zo ja, wat dan de termijn daarvoor is.
De Hoge Raad
Als na 1 januari 2025 een rechtsmiddel is ingesteld, dan is in de daarmee ingeleide instantie het nieuwe recht van toepassing. In geval van een cassatieberoep tegen een uitspraak die is gedaan onder toepasselijkheid van het oude recht, wordt dit beroep beoordeeld aan de hand van het oude recht. Ook op de voortzetting van de instantie na een eventuele cassatie en verwijzing is het oude recht van toepassing.
Hiermee is nog niet de vraag beantwoord wat de hiervoor geciteerde overgangsrechtelijke bepaling betekent voor het openstaan van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen een beslissing op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of andere voorlopige bewijsverrichtingen), als dat verzoek is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en daarop ná de inwerkingtreding van deze wet uitspraak is gedaan. Deze vraag wordt in de wet en ook in de wetsgeschiedenis niet onder ogen gezien. Bij gebreke hiervan, moet worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. Uitgangspunt is dan dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.
Omdat het verzoek van verzoekster tot inzage in de beslagen bescheiden op de voet van art. 843a (oud) Rv is ingediend vóór 1 januari 2025, betekent het voorgaande dat op de termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van het hof eveneens het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing is en de cassatietermijn dus drie maanden bedraagt (art. 426 lid 1 Rv). Het cassatieberoep van verzoekster is binnen deze termijn ingesteld, zodat het incidentele verzoek van Oceanco moet worden afgewezen.
Deze uitspraak is in lijn met de conclusie van A-G De Bock.
Oceanco werd in deze cassatieprocedure bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland en Maartje Möhring.