HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514
In geval een beroepschrift tijdig maar niet volgens de voorgeschreven wijze van beveiligde elektronische communicatie is ingediend, is uitgangspunt dat de rechter de indiener in de gelegenheid stelt om dit gebrek binnen een door de rechter te bepalen termijn te herstellen door hetzelfde beroepschrift alsnog op de juiste wijze in te dienen. Maakt de indiener van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter hem niet-ontvankelijk verklaren.
De rechter kan echter in de omstandigheid dat het alsnog op correcte wijze indienen van het beroepschrift geen zinvol herstel is van de eerdere onjuiste indiening, aanleiding zien om de herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren.
Aanleiding
Deze zaak betreft een echtscheidingsprocedure. De man verzoekt de rechtbank nevenvoorzieningen te treffen ter vergoeding van investeringen die hij uit privévermogen in de echtelijke woning heeft gedaan en van de waarde een aantal horloges dat de vrouw volgens hem nog in bezit zou hebben. De rechtbank wijst de verzochte nevenvoorzieningen in de eindbeschikking af.
De man stelt tegen die eindbeschikking hoger beroep in. Hij stuurt daartoe eerst per gewone e-mail het beroepschrift aan de griffie van het hof, in plaats van dit op de door het toepasselijke procesreglement voorschreven wijze via Veilig Mailen te verzenden. Enkele dagen later – na het verstrijken van de beroepstermijn – dient hij een papieren versie van het beroepschrift in.
Het hof constateert in zijn beschikking dat de toezending van het beroepschrift per gewone e-mail niet kan worden aangemerkt als een geldige wijze van indienen en dat de indiening per post te laat is geweest. Het stelt echter ambtshalve vast dat ten tijde van de indiening een eenduidige handelwijze ter zake van processtukken die per gewone e-mail aan de griffie van werden toegezonden ontbrak. In sommige gevallen werden die stukken in weerwil van het procesreglement aanvaard. Onder die omstandigheden is het hof in redelijkheid van oordeel dat in dit geval niet-ontvankelijkheid een te zware sanctie is.
In cassatie
De vrouw klaagt in cassatie onder meer dat het hof door de man ontvankelijk te achten heeft miskend dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en strikt dienen te worden gehandhaafd. De rechter heeft geen discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de zwaarte van de sanctie en kan de beslissing over de ontvankelijkheid niet op grond van de redelijkheid mitigeren.
De Hoge Raad stelt voorop dat de man het beroepschrift met de gronden in dit geval tijdig heeft ingediend, maar dat de indiening op gebrekkige wijze is geschied omdat niet de in het procesreglement voorgeschreven wijze van beveiligd e-mailen is gevolgd.
Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren.
De rechter kan echter in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel is van het eerdere onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad sluit hiermee aan bij het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv, dat een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen behelst.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Deze beslissing is in lijn met de conclusie van A-G De Bock.