HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:99
De referteperiode uit art. 7:610b BW behoeft niet onmiddellijk vooraf te gaan aan de periode waarop het verzoek tot vaststelling van het aantal arbeidsuren ziet, maar kan ook gelegen zijn in een eerdere of zelfs latere fase van het dienstverband.
Achtergrond
In deze procedure maakt een voormalig werknemer van café/restaurant Meram Burger aanspraak op betaling van achterstallig loon. Het hof Amsterdam heeft dat verzoek gedeeltelijk, voor bepaalde periodes, afgewezen, met als motivering dat het op de weg van de werknemer lag om de arbeidsomvang in die periodes voldoende te onderbouwen en specificeren. In cassatie klaagt de werknemer onder meer dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW.
Rechtsvermoeden van art. 7:610b BW
Art. 7:610b BW bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Het gaat hier om een weerlegbaar rechtsvermoeden. Het leveren van tegenbewijs is voldoende; de werkgever moet twijfel weten te zaaien over de juistheid van de vermoede arbeidsomvang (zie ook A-G Van Peursem in zijn conclusie). Slaagt de werkgever hierin, dan rusten stelplicht en bewijslast voor wat betreft de arbeidsomvang op grond van art. 150 Rv op de eisende partij. Slaagt de werkgever er niet in om het rechtsvermoeden te weerleggen, dan heeft dat tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst een bepaalde arbeidsomvang inhoudt. In een uitspraak van november 2025 heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis – overwogen dat met het weerlegbare rechtsvermoeden is beoogd de positie van de werknemer te versterken en de werkgever te stimuleren om onzekere elementen in de aan te gane arbeidsverhouding te voorkomen.
Referteperiode
In de uitspraak van 23 januari 2026 voegt de Hoge Raad daaraan toe dat als referteperiode niet zonder meer de periode van drie maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek tot vaststelling van het aantal arbeidsuren geldt. Weliswaar knoopt de tekst van art. 7:610b BW wel bij die periode aan, uit de wetsgeschiedenis leidt de Hoge Raad af dat – indien deze periode niet representatief is – ook een andere, meer representatieve periode, in aanmerking kan worden genomen. Gelet hierop en gelet op de eerder genoemde strekking van art. 7:610b BW moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat de referteperiode niet noodzakelijkerwijs onmiddellijk behoeft vooraf te gaan aan de periode waarop het verzoek ziet, maar ook gelegen kan zijn in een eerdere of zelfs latere fase van het dienstverband. Een en ander is in lijn met de hierboven al genoemde conclusie van A-G Van Peursem.
Volgt vernietiging en verwijzing.