HR 14 juni ECLI:NL:HR:2019:925

De Hoge Raad vraagt het HvJEU of art. 7 lid 2 Brussel I-bis zo moet worden uitgelegd dat het rechtstreeks intreden van zuiver financiële schade op een in Nederland aangehouden beleggingsrekening of een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank of beleggingsonderneming, welke schade het gevolg is van beleggingsbeslissingen genomen onder invloed van algemeen verspreide, maar onjuiste, onvolledige en misleidende informatie van een internationale beursgenoteerde onderneming, een voldoende aanknopingspunt oplevert voor internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit hoofde van de plaats van het intreden van de schade (Erfolgsort)? Daarnaast stelt de Hoge Raad enkele vragen over de relevantie van de art. 3:305a-actie en de interne relatieve bevoegdheid.

In het voorjaar van 2010 deed zich een explosie voor op het door BP geleaste olieboorplatform Deepwater Horizon. De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft een collectieve actie ingesteld ten behoeve van alle personen die in de periode 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010 gewone aandelen in BP hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming (de BP-aandeelhouders). BP zou jegens de BP-aandeelhouders onder meer onjuiste, onvolledige en misleidende mededelingen hebben gedaan over zaken die verband houden met de olieramp. In deze cassatieprocedure gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan aannemen.

De rechtbank en het hof hebben geen bevoegdheid aangenomen op de voet van art. 7, lid 2, van de Verordening Brussel I-bis (hierna: art. 7 lid 2 Brussel I-bis). In de kern heeft het hof overwogen dat het intreden van zuiver financiële schade op een in Nederland aangehouden beleggingsrekening op zichzelf geen voldoende aanknopingspunt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter is, omdat daarvoor bijzondere omstandigheden nodig zijn. Onvoldoende is dat BP zich richt op een wereldwijd beleggingspubliek, waaronder Nederlandse beleggers, en dat VEB de belangen behartigt van een groot aantal beleggers die in Nederland woonachtig zijn, aldus het hof. In cassatie wordt opgekomen tegen dit oordeel. De klachten van VEB betogen kort samengevat dat (i) het intreden van zuiver financiële schade een voldoende aanknopingspunt is voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter, (ii) er voldoende bijzondere of bijkomende omstandigheden zijn en (iii) dat belang toekomt aan de omstandigheid dat de vorderingen op de voet van art. 3:305a BW zijn ingesteld.

De Hoge Raad vangt aan met een aantal vooropstellingen over het toepasselijk (Europeesrechtelijke) juridisch kader in r.o. 4.7.1-4.7.8. Art. 7 lid 2 Brussel I-bis bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Hieronder valt zowel de plaats waar de schade is ingetreden (“Erfolgsort”) als de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat (“Handlungsort”) (r.o. 4.7.2). De bijzondere bevoegdheidsregel van art. 7 lid 2 Brussel I-bis moet autonoom en strikt worden uitgelegd (r.o. 4.7.3). Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de plaats van het intreden van de schade de plaats is waar de beweerde schade zich concreet voordoet (r.o. 4.7.4)

De Hoge Raad bespreekt net als A-G Vlas het Kolassa-arrest, het Universal Music-arrest en het Löber-arrest (zie r.o. 4.7.5-4.7.8 en conclusie A-G Vlas par. 2.7-2.17). Kort samengevat komt dat op het volgende neer:

  • In het Kolassa-arrest was sprake van een waardedaling van certificaten die niet te wijten was aan de wisselvalligheden van de financiële markten, maar aan het beheer van de fondsen waarin het geld uit de uitgifte van die certificaten werd geïnvesteerd. Er was door de Barclays Bank een prospectus uitgebracht met misleidende informatie. Uit dit arrest volgt dat het Erfolgsort zich bevindt op de plaats waar de belegger schade ondervindt en dat bevoegdheid kan worden aangenomen, onder meer wanneer de schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank. Anders gezegd: er moet een samenval zijn tussen de woonplaats van de verzoeker en de vestigingsplaats van de bank waar de verzoeker de bankrekening aanhoudt waarop de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet.
  • In het Universal Music-arrest ging het om schade van Universal Music die voortvloeide uit een vaststellingsovereenkomst die partijen in Tsjechië hadden gesloten. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de plaats waar de bankrekening wordt gehouden waarop zich rechtstreeks financiële schade manifesteert, zonder bijkomende omstandigheden niet een relevant aanknopingspunt kan opleveren voor bevoegdheid op grond van het Erfolgsort. Het HvJEU overwoog dat de vaststelling in het Kolassa-arrest, dat de gerechten van de woonplaats van de verzoeker uit hoofde van het intreden van de schade, bevoegd zijn wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op de bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank, is gedaan in het bijzondere kader van die zaak, die werd gekenmerkt door omstandigheden die tezamen ertoe strekten deze gerechten bevoegdheid toe te kennen. Er werd geen bevoegdheid aangenomen. Het HvJEU merkte in dat kader ook nog op dat niet was uitgesloten dat Universal Music de keuze had tussen meerdere bankrekening ten laste waarvan zij het schikkingsbedrag kon voldoen.
  • In het Löber-arrest ging het om met Kolassa vergelijkbare omstandigheden: ook daar ging het om een gedupeerde belegger en mogelijke prospectusaansprakelijkheid. Het HvJEU herhaalde in dit arrest de in Universal Music geformuleerde regel (zie hierboven) en kwam tot het oordeel dat de specifieke omstandigheden bijdroegen tot toekenning van bevoegdheid. Van belang was dat (i) de belegger haar woonplaats had in Oostenrijk, (ii) alle betalingen betreffende de in die zaak aan de orde zijnde beleggingstransactie via Oostenrijkse bankrekeningen zijn verricht (zowel de persoonlijke bankrekening van de belegger als de afwikkelingsrekeningen), (iii) de belegger in het kader van de transactie alleen met Oostenrijkse banken heeft gehandeld, (iv) de certificaten op de Oostenrijkse secundaire markt zijn verkregen, (v) de prospectus betreffende de certificaten genotificeerd is bij de Oostenrijkse Centrale Bank en (vi) de belegger in Oostenrijk op basis van deze informatie zich ertoe heeft verbonden te beleggen.

De Hoge Raad geeft daarna de stellingen weer van partijen in r.o. 4.8.1 en 4.8.2. Kort gezegd stelt VEB dat zuiver financiële schade van investeerders, die betrekking heeft op een waardedaling op in Nederland aangehouden beleggingsrekeningen, zonder (andere) bijzondere of bijkomende omstandigheden grond biedt om Nederland als ‘Erfolgsort’ te kwalificeren (en subsidiair dat er voldoende bijzondere of bijkomende omstandigheden zijn, waaronder de collectieve actie). BP betoogt dat zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op een bankrekening, zonder bijkomende omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor toepassing van art. 7 lid 2 Brussel I-bis. Dat geldt ook als zich niet het gevaar voordoet dat de benadeelde achteraf het Erfolgsort kan manipuleren door te kiezen voor een bankrekening op een plaats die hem uitkomt. Bij afwezigheid van bijkomende omstandigheden is de rechter van de plaats waar de bankrekening wordt gehouden, dus niet bevoegd. Het collectieve karakter van deze procedure maakt het voorgaande niet anders, aldus BP.

In 4.9.1-4.9.7 zet de Hoge Raad uiteen waarom er vragen moeten worden gesteld aan het HvJEU. Dat zal hierna per vraag worden samengevat.

Vraag 1

“(a) Dient [art. 7, onder 2, Brussel I-bis] aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreeks intreden van zuiver financiële schade op een in Nederland aangehouden beleggingsrekening of een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank of beleggingsonderneming, welke schade het gevolg is van beleggingsbeslissingen genomen onder invloed van algemeen verspreide, maar onjuiste, onvolledige en misleidende informatie van een internationale beursgenoteerde onderneming, een voldoende aanknopingspunt oplevert voor internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit hoofde van de plaats van het intreden van de schade (Erfolgsort)?

(b) Zo nee, zijn bijkomende omstandigheden vereist die rechtvaardigen dat de Nederlandse rechter bevoegd is en welke omstandigheden zijn dat? Zijn de bijkomende omstandigheden die hiervoor in 4.2.2 zijn genoemd, voldoende voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter?”

Deze vraag ziet op de in de onderhavige zaak toepasselijke maatstaf en de uitleg van het drietal hiervoor besproken arresten. De Hoge Raad signaleert eerst een aantal overeenkomsten en verschillen. De overeenkomst is dat het in alle drie de gevallen gaat om zuiver financiële schade die rechtstreeks is ingetreden op een bankrekening of beleggingsrekening, waarbij die zuiver financiële schade het gevolg is van een daling van de waarde van de effecten die op die bankrekening of beleggingsrekening als tegoed werden aangehouden (r.o. 4.9.1). Een verschil met het Kolassa-arrest en het Löber-arrest is dat de vordering in deze zaak niet is gebaseerd op misleidende informatie in een in Nederland verspreid prospectus (r.o. 4.9.2). BP zou de misleiden informatie openbaar hebben gemaakt via persberichten, op haar website gepubliceerde rapporten, jaarrekening en jaarverslagen alsmede in het openbaar gedane uitlatingen van bestuurders. Een verschil met het Universal Music-arrest is dat de benadeelde in de onderhavige zaak geen invloed kon uitoefenen op de daling van het tegoed op zijn bankrekening (r.o. 4.9.1).

Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de onvoorzienbaarheid. Dat heeft ermee te maken dat het HvJEU in het Kolassa-arrest de plaats van de notificatie van het prospectus in het kader van de voorzienbaarheid heeft benadrukt (zie conclusie A-G, par. 2.8). Daarvan kennelijk uitgaande, overweegt de Hoge Raad dat vanwege het ontbreken van een dergelijke prospectus de onvoorzienbaarheid een gegeven is als bevoegdheid zou worden aangenomen (r.o. 4.9.3). Dat vormt echter niet in alle gevallen een beletsel, zo vervolgt de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest van het HvJEU eDate Advertising & Olivier Martinez. In die zaak, over de aansprakelijkheid voor beweerde schendingen van persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, heeft het HvJEU onder meer bevoegdheid toegekend aan de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest, althans voor zover het gaat om het kennisnemen van vorderingen met betrekking tot schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht (r.o. 4.9.2). De omstandigheid dat publicaties op internet in beginsel wereldwijd toegankelijk zijn, stond aan het aannemen van bevoegdheid in die zaak (kennelijk) niet in de weg.

Bij de Hoge Raad rijst de vraag of er aanleiding is voor een vergelijkbare bevoegdheidsregel voor vorderingen die strekken tot het verhalen van schade van aandeelhouders als gevolg van onjuiste, onvolledige of misleidende informatie die openbaar is gemaakt door internationale beursgenoteerde ondernemingen (r.o. 4.9.3).

Vraag 2

“2. Luidt het antwoord op vraag 1 anders indien het gaat om een vordering die op de voet van art. 3:305a BW is ingesteld door een vereniging die tot doel heeft de collectieve belangen te behartigen van beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1, hetgeen onder meer meebrengt dat de woonplaatsen van de hiervoor bedoelde beleggers niet zijn vastgesteld, evenmin als de bijzondere omstandigheden van de individuele aankooptransacties?”

Een belangrijk verschil tussen het Kolassa-arrest en het Löber-arrest en deze zaak is volgens de Hoge Raad dat het in deze zaak gaat om een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW, die aanleiding kan geven tot (extra) problemen bij het lokaliseren van het Erfolgsort. Doordat de collectieve actie strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen, wordt geabstraheerd van de individuele omstandigheden van de gedupeerden van wie de belangen in de collectieve actie aan de orde zijn. Het is de vraag of, en zo ja hoe, in een dergelijk geval bijkomende specifieke omstandigheden, indien vereist, moeten worden vastgesteld (r.o. 4.9.4). De Hoge Raad vraagt zich ook af of bij de lokalisatie van het Erfolgsort net zulke strenge regels gelden als het geval was in de zaak CDC/Akzo Nobel: in die zaak had een aantal gedupeerden hun vorderingen gecedeerd aan een ‘claim vehicle’. Het HvJEU overwoog dat de overdracht van schuldvorderingen door de oorspronkelijk eiser geen invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegd gerecht volgens (de voorloper van) art. 7 lid 2 Brussel I-bis en dat het schadebrengende feit voor iedere schadevordering afzonderlijk moet worden beoordeeld, ongeacht een eventuele overdracht of bundeling ervan (r.o. 4.9.5).

Vraag 3

“3. Indien de Nederlandse rechter bevoegd is om op basis van art. 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis kennis te nemen van de vordering op de voet van art. 3:305a BW, is dan de aangezochte Nederlandse rechter ook bevoegd om vervolgens kennis te nemen van alle individuele schadevorderingen van de beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1?”

Als de Nederlandse rechter bevoegd is in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW van de vorderingen van VEB kennis te nemen en voor recht zou verklaren dat BP onrechtmatig heeft gehandeld jegens de BP-aandeelhouders, kunnen die aandeelhouders op basis daarvan in een nieuwe procedure individueel een vordering aanhangig maken tot schadevergoeding te voldoen in geld. Als dat zich voordoet, is van belang of dergelijke vorderingen aanhangig gemaakt kunnen worden bij de rechter die bevoegd was over de collectieve actie te oordelen. Die vraag kan opkomen als de woonplaats van de BP-aandeelhouder of de locatie in Nederland van zijn bank- en/of beleggingsrekening gelegen is buiten het rechtsgebied van de aangezochte rechter (r.o. 4.9.6).

Vraag 4

“4. Indien vraag 3 ontkennend moet worden beantwoord, wordt dan de interne relatieve bevoegdheid bepaald op grond van de woonplaats van de gedupeerde belegger, de vestigingsplaats van de bank waar deze belegger zijn persoonlijke bankrekening aanhoudt of de vestigingsplaats van de bank waar de beleggingsrekening wordt aangehouden, dan wel een ander aanknopingspunt?”

De bijzondere bevoegdheidsregels van art. 7 lid 2 Brussel I-bis regelen niet alleen de internationale bevoegdheid, maar ook de interne relatieve bevoegdheid (“het gerecht van de plaats waar”). In het Löber-arrest is in het midden gelaten op welke bankrekening de schade rechtstreeks is ingetreden. Enerzijds lijkt uit het Löber-arrest te volgen dat bij het gebruik van de term ‘bankrekeningen’ geen relevant onderscheid wordt gemaakt tussen een ‘persoonlijke’ bankrekening en beleggingsrekeningen. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat beide rekeningen in aanmerking kunnen komen. Anderzijds blijkt uit de conclusie van A-G Bobek, onder 13, dat Löber haar persoonlijke bankrekening aanhield in Wenen, hetgeen tevens haar woonplaats was, en dat de beleggingsrekeningen werden aangehouden in Salzburg en Graz. Kennelijk was in het Löber-arrest voor rechtsmacht van de rechter te Wenen voldoende dat Wenen behalve de woonplaats van Löber, óók de plaats van vestiging was van de bank waar zij haar bankrekening aanhield. Dit roept de vraag op door welke factor(en) de interne relatieve bevoegdheid wordt bepaald. Is dit de woonplaats van de gedupeerde belegger, de vestigingsplaats van de bank waar deze belegger zijn persoonlijke bankrekening aanhoudt of de vestigingsplaats van de bank waar de beleggingsrekening wordt aangehouden, dan wel een ander aanknopingspunt?

Kortom: de Hoge Raad stelt een belangrijk aantal vragen voor de uitleg van art. 7 lid 2 Brussel I-bis. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de formulering van de vragen.

Share This